De gedichten van Ioannes Geometres: een uniek beeld van Buzantion in de 10de eeuw.



1. Inleiding


De bedoeling van deze bijdrage is de lezer in contact te brengen met één van de in-teressantste en meest getalenteerde dichters van de Griekse middeleeuwen, Ioan-nes Geometres Kuriotes. Lange tijd deed het opgeld om Byzantijnse auteurs af te wegen tegen hun grote voorbeelden, zoals de kerkvaders, Homeros en de tragici, en hen vervolgens als inferieure, steriele verskunstenaars te veroordelen, zonder hun eigenheid en originaliteit te onderkennen. De laatste decennia is hierin echter verandering gekomen: figuren als Geometres worden niet langer als een aanhangsel van de klassieke Griekse literatuurgeschiedenis gezien, maar krijgen nu ook de aan-dacht die zij verdienen. Vanuit die optiek poogt deze paper een korte schets te presenteren van het leven en het oeuvre van Geometres, waarbij de nadruk zal liggen op zijn verzameling gelegenheidsgedichten, waarin zowel feiten uit zijn per-soonlijk leven als uit de Byzantijnse maatschappij weerspiegeld liggen.


2. Een korte biografie


De precieze geboorte- en sterfdatum van Geometres zijn niet bekend. Uit zijn lof- en grafgedichten voor de keizers Konstantinos VII († 959), Nikephoros Phokas († 969) en Ioannes Tzimiskes († 976), en uit de verzen die historische feiten behandelen (zoals de constante strijd tegen de Bulgaren en de revoltes van Bardas Skleros en Bardas Phokas), kunnen we afleiden dat hij in de 2de helft van de tiende eeuw leefde. Aangezien geen van zijn gedichten uit de periode na 990 lijkt te stammen, is hij waarschijnlijk gestorven naar het einde van de tiende eeuw toe 1.

Geometres was bijgevolg een exponent van de zogenaamde Macedonische Renaissance van de 9de en tiende eeuw 2, een revival van het culturele leven tengevolge van de militaire en politieke rust in het rijk. Terwijl de voorafgaande Duistere Eeuwen, die ongeveer samenvallen met de periode van het iconoclasme, zo goed als geen sporen van de antieke letteren in het Byzantijnse literaire landschap hadden achtergelaten, wordt het klassieke erfgoed nu herontdekt en opnieuw intensief benut 3. Die echo’s uit de Oudheid worden vaak gecombineerd met eigen-tijdse politieke, religieuze en literaire ontwikkelingen. Deze inspiratiebronnen cul-mineren duidelijk in het oeuvre van Geometres, zoals we verderop zullen zien.

Geometres’ familie maakte deel uit van de hoogste sociale kringen van Konstanti-nopel: zijn vader had de keizer gediend in Klein-Azië en ook Geometres zelf bekleed-de een hoge militaire rang 4. Daarnaast was hij één van de meest vooraanstaande redenaars van zijn tijd, een gevierd dichter en bevriend met Basileios Parakoimo-menos, de keizerlijke regent van 976 tot 985 5. Deze vriendschap zou hij evenwel duur betalen, want toen Basileios II in 985 de macht effectief in handen kreeg, be-sloot hij de instellingen te zuiveren van al wie door Basileios Parakoimomenos benoemd of met hem bevriend was. Hoogstwaarschijnlijk was Geometres een slachtoffer van deze maatregelen: hij viel in ongenade bij het keizerlijke hof en werd gedwongen het leger te verlaten. Basileios II wordt –in tegenstelling tot Nikephoros en Tzimiskes- inderdaad nergens door Geometres geprezen, zelfs niet vermeld. Bovendien zijn de gedichten uit de periode na 985 zeer somber; de toenmalige burgeroorlogen moeten zeker deprimerend geweest zijn, maar de verzen lijken ook persoonlijke problemen van de auteur te ventileren.

Na zijn ontslag uit het leger, trok Geometres zich terug in het klooster Ta\ Ku/rou. Daarop wijzen zijn bijnaam Kuriw/thj, zijn verering voor Maria –aan wie dit klooster gewijd was- en enkele gedichten over Ta\ Ku/rou6.


3. Geometres’ werken


Geometres heeft een aanzienlijk en zeer gevarieerd oeuvre nagelaten, dat zowel reli-gieuze als profane teksten omvat, hetzij in verzen (elegische disticha, hexameters en Zwölfsilber), hetzij in proza. Ruwweg kunnen zijn werken in vier categorieën onder-gebracht worden.

Drie werken kan men als metafra/seij (parafrases) beschouwen, waarbij het zijn bedoeling was een prozaschrift met morele doeleinden in een meer verfijnde, poëtische vorm te presenteren aan een geletterd publiek. Het betreft hier de Para-deisos, een bewerking van de a)pofqe/gmata (spreuken) van beroemde asceten en uitspraken en verhalen uit de klassieke literatuur en mythologie in 99 tetrasticha 7; een biografie van de heilige Panteleemoon 8 en een parafrase van acht oden uit het Oude Testament en één uit Lucas.

Een tweede groep omvat werken van een louter religieuze inspiratie. Daartoe behoren vijf hymnen ter ere van Maria; een contemplatieve homilie over de Annunciatie; een Vita van Maria in verschillende homilieën; een voorlopig nog ongepubliceerde homilie over de Kruisafname van Christus; scholia op het Lucas- evangelie en een verloren gedicht over de Geboorte van Christus.

Als gevierd redenaar hield Geometres zich ook bezig met de theoretische aspecten en praktische toepassingen van de retorica. Bewaard zijn fragmenten van zijn commentaren op Hermogenes en Aphthonios; commentaren op drie preken van Gre-gorios van Nazianze, voor wie Geometres een diepe bewondering koesterde, getuige de talloze echo’s van Gregorios in zijn poëzie en een lofgedicht voor de kerkvader, en de Progumna/smata, een verzameling van zes retorische oefeningen en brie-ven.

Tenslotte is van Geometres’ hand een omvangrijk corpus epigrammen en gedichten tot ons gekomen. Zij vertonen een zeer grote verscheidenheid qua vorm, inhoud en omvang en geven een mooi (zij het soms gekleurd) beeld van de carrière van een Byzantijnse intellectueel en zijn omgeving. In de volgende paragrafen zullen we nagaan hoe deze gedichten ons kunnen informeren over Geometres’ leven en het politieke leven in het tiende-eeuwse Byzantijnse rijk.


4. Een corpus gedichten als historische bron en autobiografisch document


- Vooreerst komen de vanuit historisch oogpunt belangrijke verzen aan bod. De regeringsperiodes van Konstantinos VII, Nikephoros Phokas en Ioannes Tzimiskes zijn in Geometres’ poëzie weerspiegeld. Zijn gedichten getuigen van overwinningen in Azië onder Nikephoros en Tzimiskes, de constante oorlog tegen de Bulgaren die vnl. onder Basileios II werd uitgevochten, de burgeroorlogen en revoltes van Bardas Skleros en Bardas Phokas, de Byzantijnse relaties met de Russen en Iberiërs, enz. Met deze gedichten vormt Geometres een belangrijke bron voor de 2de helft van de tiende eeuw. Hoewel hij ons zelden nieuwe informatie biedt, dikwijls partijdig is in het relaas van de feiten en de interpretatie van zijn verzen soms bemoeilijkt door de eerder obscure allusies en dubbelzinnige taal, geeft zijn poëzie een interessante kijk op de socio-politieke situatie van het Byzantijnse rijk. Ter illustratie enkele voor-beelden.


* Ei)j to\n Kuro\n Nikhfo/ron to\n basile/a (Cr. 290, 1-13)9

(Eca/etej laoi=o qeo/fronoj h(ni/a tei/naj,

to/ss e)p eÓth Skuqw=n ÓArea dh=sa me/gan.

)Assuri/wn d eÓklina po/leij, kai\ Foi/nikaj aÓrdhn!

Tarso\n a)maimake/thn eiÒlon u(pozu/gion.

nh/souj d e)ceka/qhra, kai\ hÓlasa ba/rbaron ai)xmh\n

eu)mege/qh Krh/thn, Ku/pron a)riprepe/a.

a)ntoli/h te du/sij te e)ma\j u(pe/tressan a)peila/j,

o)lbodo/thj Nei=loj, kai\ kranah\ Libu/h.

pi/ptw d e)n basilei/oij me/ssoij, ou)de\ gunaiko\j

xei=raj u(pece/fugon, aÕ ta/laj a)drani/hj.

hÕn po/lij, hÕn strato/j, hÕn kai\ diplo/on eÓndoqi tei=xoj.

a)ll e)teo\n mero/pwn ou)de\n a)kidno/teron.


Voor mijn heer en keizer Nikephoros.

In de zes jaar dat ik de teugels van mijn godvruchtig volk in handen had, onderdrukte ik in evenveel jaren het vreselijke oorlogsgeweld der Skuthen. Ik bracht steden van de Assuriërs ten val en verwoestte de Phoinikische volledig. Het onbedwingbare Tarsos bracht ik onder het juk, eilanden zuiverde ik en bedwong de speer van de vijand, het weidse Kreta en het beroemde Kupros. Het oosten en westen weken voor mijn dreigingen, de welvaart schenkende Neilos en het harde Libua. Ik stierf echter midden in het paleis, ik ontkwam niet aan de handen van een vrouw. Ach, vreselijk is die zwakheid! Ik had een stad, een leger, binnen zelfs een dubbele muur, maar er is werkelijk niets zwakker dan de mensen.


In het eerste gedicht bezingt Geometres de militaire overwinningen van zijn held, kei-zer Nikephoros Phokas, die zowel het oosten als het westen voor Konstantinopel liet beven. Al zijn veldtochten komen aan bod: met de Skuthen zijn de Bulgaren, de eeuwige vijanden van het Byzantijnse rijk, bedoeld, tegen wie Nikephoros in 965 ten strijde trok. Vervolgens alludeert Geometres op de verscillende expedities van de kei-zer in Azië tussen 962 en 968. Tarsos viel hem in 965 in handen. In hetzelfde jaar werd Kupros veroverd door de Byzantijnse vloot, terwijl de verwoesting van de Kre-tenzische hoofdstad Chandax in maart 961 een einde had gesteld aan de piraterij in de Egeïsche Zee. De vermelding van Libua en de Nijl verwijst daarentegen niet naar een historisch feit: misschien wil de dichter hiermee eenvoudigweg te kennen geven dat het hele gebied rond de Middellandse Zee de macht van Nikephoros vreesde. Tot slot laat Geometres de keizer zijn smadelijke dood door de handen van Tzimiskes en de keizerin bejammeren: opvallend is wel dat de schuld volledig bij zijn vrouw Theophano gelegd wordt. Hoewel hij de volgende keizer Tzimiskes zijn aan-deel in de misdaad in een ander gedicht laat bekennen 10, wordt zijn rol in de moord op Nikephoros steeds afgezwakt.

Zoals we nog zullen zien, aarzelt Geometres niet om zijn belezenheid te laten opmerken en verwerkte talloze echo’s en zelfs hele citaten uit de klassieke literatuur in zijn verzen. Voor dit gedicht kan erop gewezen worden dat het eerste en het laat-ste vers bijna woordelijk aan Gregorios van Nazianze ontleend zijn 11.



* Ei)j to\n Komhto/poulon (Cr. 283, 15-26)12

ÓAnw komh/thj eÓflegen to\n ai)qe/ra,

ka/tw komh/thj purpolei= th\n (Espe/ran

a)sth\r e)kei=noj su/mbolon tou= nu=n sko/touj!

e)kei=noj h)merou=to fwti\ Fwsfo/rou.

a)ll ouÒtoj hÀfqh t$= du/sei Nikhfo/rou.

Tufw\j o( dei=noj ouÒtoj e)c a)lasto/rwn

ta\ pa/nta pimpr#=! pou= bruxh/mata kra/touj

tou= sou=, strathge\ th=j a)nikh/tou (Rw/mhj ;

Fu/sei basileu=, pra/gmasin nikhfo/re,

mikro\n proku/yaj tou= ta/fou, bru/con, le/on,

di/dacon oi)kei=n ta\j a)lwpe/kaj pe/traij.


De Kometopoulos

In de lucht deed een komeet de hemel vuur vatten, op aarde zet een komeet het westen in lichterlaaie; de eerste ster was het voorteken van de huidige impasse, doch die werd getemperd door het licht van de morgenster. Maar de tweede ontbrandde bij het heengaan van Nikephoros. Die vreselijke Tuphoos 13, ontketend door wrekende godheden, verzengt alles. Waar is het gebulder van uw kracht, leider van het onoverwinnelijke Rome? Gij, die van nature koning waart, in uw ondernemingen zegevierend, verlaat <nu> voor kort uw graf, verscheur hen, leeuw, leer de vossen in hun holen te blijven.


In 972 had Tzimiskes de oostelijke gebieden van het Byzantijnse rijk geannexeerd, tot groot ongenoegen van de nationalistische beweging die geleid werd door de vier zonen van een Bulgaarse edelman, David, Moüses, Aäroon en Samouel, de zoge-naamde Kometopouloi. Na de dood van Tzimiskes in 976 zetten de Bulgaren een offensief in tegen de Byzantijnen en werden een niet te onderschatten bedreiging voor de westelijke provincies van het rijk. Vooral onder leiding van Samouel behaal-den ze enkele militaire zeges (bv. de inname van Larissa in 986). Deze Samouel is ongetwijfeld de Kometopoulos van Geometres. Met een voor hem typische woord-speling vergelijkt de dichter hem met een komeet die de voorbode was van het onheil. Om het tij te doen keren, roept hij Nikephoros aan om uit het graf te herrijzen en de Bulgaren te verdrijven.


* Ei)j th\n a)po/stasin (Cr. 271, 31-273, 29)

In deze verzen brengt Geometres een bittere schets van de gevolgen van de burger-oorlogen die op het einde van de tiende eeuw het Byzantijnse rijk teisterden: in het westen vernietigen de Bulgaarse benden van Samouel alles wat ze op hun weg tegenkomen (272, 23-34), Konstantinopel heeft te lijden onder zware natuurrampen en onheilspellende kometen (272, 35-273, 29) en in de oostelijke provincies woedt een vreselijke oorlog en weigeren de Arabische steden de Byzantijnse overheersing te aanvaarden (272, 6-22). Het gedicht eindigt met een wanhopig gebed van de stad Konstantinopel zelf: zij smeekt om Christus’ genade en vraagt dat Hij haar en het hele rijk uit de impasse zal helpen (273, 20-29). Uit dit lange gedicht selecteerden we volgende verzen (272, 6-25) 14:


To\ suggene\j me\n aiÒma pa=san th\n eÀw

prw=ton miai/nei, kai\ meri/zetai ci/foj

ta\ sumfuh=, feu=, kai\ ge/nh te kai\ me/lh.

Path\r me\n o)rg#= pro\j sfagh\n tw=n filta/twn!

kai\ decia\n pai=j patrik%= xrai/nei fo/n%! 15

aiÓrei de\ kai\ ma/xairan, wÕ pikrou= pa/qouj,

a)nh\r a)delfo\j ei)j a)delfou= kardi/an!

h( gh= de\ polloi=j susparaxqei=sa tro/moij,

ka/tw donei=tai, kai\ keraunw=n ai( flo/gej

aÓnwqen au)th\n e)ktefrou=si th\n ko/nin.

Po/leij de\ Rw/mhj ta\j e)pa/lceij w(j ko/maj

pro\j gh=n balou=sai kai\ katesparagme/nai,

qrhnou=si pikro/n, oiÒa pe/nqimoi ko/rai.

Oi(( th=j ÓAgar kratou=sin! ai( pa/lai po/leij

fo/rouj telou=sai, tw=n kaq h(mw=n nu=n fo/nwn

ai)tou=si misqou\j kai\ xoreu/ousin me/ga.

Kai\ tau=ta me\n dh\ tau=ta ta\ pro\j th\n eÀw.

Ta\ pro\j du/sin, poi=oj e)cei/poi lo/goj;

Skuqw=n me\n au)th\n plh=qoj, w(j me\n patri/da

diatre/xei te kai\ peritre/xei ku/kl%.


Vooreerst besmeurt het bloed van verwanten het hele oosten en ach, het zwaard zaait verdeeldheid onder volkeren en mensen die door een bloedsband verbonden zijn. Een vader verlangt de dood van zijn dier-baarste kinderen en een kind bezoedelt zijn rechterhand met de moord op zijn vader. Ook heft een broer z’n dolk tegen zijn broers hart; wat een vreselijk leed! Beneden trilt de aarde, gespleten door de talrijke schokken, in de hemel verast het vuur van de bliksems zelfs stof. De steden van <het nieuwe> Rome wenen bitter, als rouwende meisjes, om hun borstweringen, te gronde gericht en vernietigd alsof het haren waren. De zonen van Agar zegevieren 16. De steden die ons vroeger belastingen betaalden, eisen nu van ons een vergoeding voor de moorden en dansen van vreugde. Ja werkelijk, zo staan de zaken er-voor in het oosten. Maar welke woorden zouden de gebeurtenissen in het westen kunnen beschrijven? Een bende Skuthen trekt door dat gebied en doorkruist het alsof het hun vaderland was.


- In sommige gedichten verwerkt Geometres enkele autobiografische gegevens; deze verzen laten ons toe een beeld te vormen van een aantal aspecten van zijn leven. Zo kunnen we in het eerste epigram lezen dat zijn vader op hoge leeftijd in Klein-Azië de dood vond in dienst van de keizer. Zijn lichaam werd teruggebracht naar Konstantinopel door Geometres en diens broer. De ziel van de overleden zelf is aan het woord:

* Ei)j e(autou= pate/ra (Cr. 280, 13-21)17

)Ek geneth=j polu/moxqoj e)j eÓsxaton hÓlasa gh=raj

o)trhro\j qera/pwn, koirani/hj ste/fanoj.

aiÕan e)ph=lqon oÀlhn, )Asia/tida d uÀstata eÓsxon,

po/rrw suggene/wn, th=le fi/lhj a)lo/xou.

a)lla\ me te/kwn zeu=goj e)j i(ero\n hÓgagen aÓstu,

auÕqij kai\ xersi\ qh=kan a)ristolo/xoij.

eiÓcate)mw=n teke/wn dua/di Kle/obi/j te Bi/twn te,

oi( mikroi=j stadi/oij hÓgete geiname/nhn.


Voor zijn vader.

Ik heb de grens van mijn leven bereikt, ik die van bij mijn geboorte veel ellende te verduren kreeg, een ijverige dienaar, de trots van het rijk; ik ben de hele wereld doorgetrokken en heb de uithoeken van Azië gezien, ver van mijn verwanten, weg van mijn geliefde echtgenote. Maar mijn twee kinderen namen me mee naar de heilige stad, hun nobele handen brachten me weer thuis. Wijk voor mijn twee zonen, Kleobis en Bitoon 18, gij die uw moeder <slechts> over enkele stadiën voerden.


Supra werd reeds aangegeven dat Geometres overvloedig put uit de klassieke literatuur. De cursief getypte collocaties zijn allemaal terug te vinden in de antieke poëzie 19.


* Een bewijs dat Geometres inderdaad een voorstander was van Basileios Parakoi-momenos (cf. supra), vormen de twee e)gkw/mia (lofgedichten) aan het adres van de keizerlijke regent (Cr. 276, 3-278, 20 en 308, 1-303, 13). Hoewel de dichter hem nergens rechtstreeks aanspreekt, maakt hij met enkele subtiele aanwijzingen duidelijk wie het onderwerp is van de lofprijzingen: woorden als basi/leion (Cr. 308, 19) en basili/j (Cr. 308, 21) refereren duidelijk aan Basileios. De keizer Basileios II is als laudandus uitgesloten, daar hij verantwoordelijk was voor Geometres’ ontslag uit het leger. In het laatste tekstfragment staat de symboliek van de zon centraal, die typisch is voor keizerlijke panegyrieken: Geometres kon natuurlijk niet beweren dat Basileios de zon (i.e. de keizer) is, maar wel dat hij op haar lijkt. Met woorden als i)))sodro/mouj, o(mozu/gou, i)sozu/gwj en i)soti/moij suggereert hij dat Basileios alleszins de keizerlijke waardigheid bezat en evenveel eer verdiende als de toekomstige machthebber.


Cr. 308, 1-8; 308, 19-24; 309, 4-10 20

Nu=n me\n sunh=lqe t%= le/onti fwsfo/roj,

kai\ mousiko\n te/ttigej #Ódousin me/loj.

Nu=n kai\ path\r eÓspeuse sundramei=n te/knoij,

kai\ mousikou\j eÓqalyen ei)j %)da\j ne/aj.

Nu=n kai\ gewrgo\j ta\j a)parxa\j tw=n po/nwn

xai/rwn Qe%= di/dwsi, kai\ krotei= me/ga.

Nu=n de\ su/ moi fe/ronti tau/taj tw=n lo/gwn

mikra\j a)parxa\j kai\ de/xou kai\ prosde/xou.

(…)

basi/leion me\n kai\ ge/noj soi kai\ tro/poj,

a)ll ou)de\n hÒtton kai\ fro/nhsij kai\ lo/goj

pa/ntwn kata/rxwn, kai\ basili\j kardi/a

kratou=sa paqw=n, h(donw=n yuxofqo/rwn.

Poi=oj de\ krei/ttwn xrhma/twn )Aristei/dhj;

Poi=oj Periklh=j ei)j a)dwri/an me/gaj;

(…)

w(j fwsfo/ron me\n oi( sofw=n fasi\n lo/goi,

i)))sodro/mouj zeu/canta pw/louj e)n po/l%

to\ fw=j kukleu/ein e)c o(mozu/gou ta/xouj!

e)n soi\ de\ lampth\r a)retw=n aàrma ble/pw,

w(j h(li/ou te/qrippon aÓllo purfo/ron,

i)sozu/gwj a)stra/pton, hÔ ma=llon ste/foj

e)kla/mpon wÀsper i)soti/moij marga/roij.


Nu is de morgenster het teken van de leeuw binnengetreden en zingen de cicaden een welluidend lied. Nu haast de vader zich ook om zijn kin-deren te helpen21 en vuurt de muzikanten aan nieuwe melodieën te spelen. Nu schenkt ook de boer vol vreugde de eerste resultaten van zijn inspanningen aan God en juicht vol overgave. Neem nu deze bescheiden verzen aan van mij, ontvang ze als eerstelingen. (…)

Koninklijk is uw geslacht en inborst, maar niet minder uw inzicht en verstand dat allen overtreft, en koninklijk is uw hart, dat zich niet laat beïnvloeden door passies en begeertes die de ziel vernietigen. Welke Aristeides22 wist zo consequent nee te zeggen tegen smeergeld? Welke Perikles weigerde zo hardnekkig zich te laten omkopen? (…)

Zoals de woorden der wijzen zeggen dat de morgenster paarden die met gelijke draf door de hemel rennen, onder het juk heeft gebracht, om het licht met een gelijke snelheid te verspreiden, zie ik in u, lichtdrager, een span van kwaliteiten, als een tweede stralend vierspan23 van de zon, even schitterend, of eerder een lichtende kroon, als was hij afgezet met parels van gelijke zuiverheid.


* De laatste jaren van zijn leven bracht Geometres door in het klooster Ta\ Ku/rou. Uit deze periode dateert het volgende spotepigram waarin hij een zekere Psenas aanvalt 24. Daar deze naam uiterst zelden voorkomt, is de man naar alle waarschijn-lijkheid te identificeren met de Psenas die rond 1000 verwikkeld was in een proces met het klooster. Misschien was hij een Byzantijnse sycofant, die financieel voordeel hoopte te halen door Ta\ Ku/rou aan te klagen. Toen Geometres dit spotgedicht naar het einde van de tiende eeuw toe schreef, kende het klooster inderdaad enkele juridische problemen 25.

Sajdak, 1930/1931, blz. 530-531

Yhna=j me\n aÓlloij, a)ll e)moi\ la= tugxa/neij.

Yhna=j e)klh/qhj w(j lalw=n pro\j ywmi/on

eiÓte pro\j o)stou=n eiÓte kai\ braxu\ kre/aj.

Ou)k aÓrton eÀceij e)c e)mou=, la=, kai\ pa/lin

eÓkklinon w(j po/rrwqen tw=n Ku/rou, ku/wn,

aÓpiste Yhna=! kai\ ga\r ei)j braxu\ tru/foj

le/wn fagw\n pi/qhkon e)rrw/sqh ta/xon.


Voor anderen zijt gij Psenas, maar voor mij een keffer 26. Gij wordt Psenas genoemd omdat gij al spreekt voor een kruimeltje brood, een been of wat vlees. Van mij zult ge geen brood krijgen, keffer, en blijf dan ook zo ver mogelijk weg van Ta\ Ku/rou, hond, trouweloze Psenas. Wanneer een leeuw immers een aap als kleine hap verorbert, wordt hij snel weer gezond 27.


- Naast enkele autobiografische elementen, biedt het corpus van Geometres’ poëzie ons via de literaire gebeden en ei)j e(auto/n-gedichten (verzen gericht “tot zichzelf”) een zeer directe kijk op de gevoelswereld van de dichter als Byzantijnse christen. Dit type poëzie is vertegenwoordigd in het oeuvre van alle grote Byzantijnse dichters, maar de voorkeur van Geometres voor die gedichten is opmerkelijk. Men kan veronderstellen dat de meeste dateren uit de periode waarin hij uit zijn militaire functie werd ontzet en in het klooster intrad. Uit deze verzen spreken vooral zijn zondebesef, wanhoop, eenzaamheid en ultieme vertrouwen op God.


Cr. 287, 15-18 en 287, 25-288, 4 28

Qume\ ta/lan, ti/ pe/ponqaj kai\ oÀson oiÕdma mo/ghsaj

ei)j xro/non e)c hÀbhj e)j bio/toio du/sin.

ÓWleto me\n moi kai\ fa/oj, wÓleto kai\ me/noj e)sqlo/n,

wÓleto d h(liki/h, xei\r de\ le/loipe kra/toj.

(…)

ou)de\ ti moi peri/keitai, mayidi/wj d a)la/lhmai,

aÓlgea/ te stonaxa\j, kh/dea mou=na fe/rwn.

a)mplakiw=n t e)pi\ toi=j fo/rton polueide/a aÓxqh,

oiÒj mou/noij ploutw= plou=ton a)peire/sion.

Sh\n te di/khn trome/w kai\ ta/rtaron h)ero/enta

kai\ flo/ga th\n skoti/hn kai\ o)fe/wn dapa/nhn!

e)ggu/qi th=j Sku/llhj xaleph\ pare/sthke Xa/rubdij.

a)mfo/tera trome/w, kai\ bi/on w(j qa/naton.

a)lla/ m aÓnac e)le/aire, kai\ a)mfote/rwqi sa/wson,

eÓnqen a)nasth/saj euÓdion e)j lime/na.


Arm hart, welk leed hebt gij doorstaan, en welke last hebt gij gedragen van uw jeugd tot de avond van uw leven ! Uitgedoofd is uw schittering en verdwenen uw stevige wilskracht, de jeugdige leeftijd is voorbij, de kracht heeft uw handen verlaten. (…)

Niets rest mij nog, doelloos dool ik rond, met alleen nog pijn, gejammer en zorgen, en daarenboven belast met zonden en vele kwellingen die op zich al onmetelijk zijn. Ik sidder voor Uw oordeel en de duistere Tartaros, de donkere vlammen en het reusachtige kluwen slangen. Naast Skulla staat de vreselijke Charubdis, ik beef voor beiden, en voor het leven als voor de dood. Heb toch medelijden met mij, Heer, red me in beide gevallen en leid me van hier naar een rustige haven.


Deze verzen bewijzen tevens opnieuw hoe goed Geometres vertrouwd was met de poëtische traditie, in het bijzonder Homeros en Gregorios van Nazianze: alle cursieve collocaties kunnen bij deze auteurs teruggevonden worden 29.


- Dat Geometres zich tot de meest prominente redenaars van zijn tijd mocht rekenen, uit zich in een aantal prozawerken van zijn hand (cf. supra), maar laat tevens zijn sporen na in het corpus gedichten.

Het eerste epigram, waarin hij zijn verontwaardiging uit over het feit dat Tzimiskes na de moord op Nikephoros nu ook diens portretten aanvalt, is volledig opgebouwd volgens de principes van een h)qopoii/a (karaktertekening) en draagt ook de conven-tionele titel van dergelijke retorische oefeningen 30. Zoals voorgeschreven door retoricatheoretici als Hermogenes en Aphthonios 31, is het onderverdeeld in drie periodes, heden (v. 10-13), verleden (v. 14-19) en toekomst (v. 20-21). Voor de histo-rische context zij verwezen naar het hoger geciteerde gedicht Cr. 290, 1-13.


* Ti/naj aÔn eiÓpoi lo/gouj o( e)n a(gi/oij basileu\j Kurou=j Nikh-fo/roj, a)potemnome/nwn tw=n ei)ko/nwn au)tou= (Cr. 295, 8-21) 32

Nai\ kefalh\n a)pe/kersen e)mh/n ci/foj, hÀrpase d a)rxh/n

a)ndrofo/n% pala/mv koi/ranoj e)k skoti/hj.

ei)j ti/ kai\ ei)ko/sin o( fqo/noj, aÕ pa/qoj, #Óssei a)na/ssein

kaÔn Fa/larin tij e)#= kaÔn )Exe/tou mani/aj.

a)ll aÓg e)ma\j sth/laj ti/j a)i+stw/seie megai/rwn

eu)gene/tin Krh/thn, Kupro\n a)riprepe/a,

Tarso\n a)maimake/thn Kili/kwn ptoli/eqra kliqe/nta,

tei/xea t )Antio/xou, aÓstea t )Assuri/wn,

Pe/rsaj, Foi/nikaj, ÓArabaj, eÓqnea muri/a gai/hj

panq u(po/eicen e)m%= douri\ kradainome/n%.

Ti\j ta/de siflw/seien; a)ra/ssete, eÓrrete toi/xoi

au)ta\r e)gw\ xw/raij kai\ kradi/aij gra/fomai.


Welke woorden de overleden machthebber Nikephoros zou kunnen zeggen, nu zijn afbeeldingen vernietigd worden.

Waarachtig, een zwaard hieuw mijn hoofd af, een aanvoerder ontrukte me vanuit het duister de heerschappij door een gewelddadige moord. Waarom toch verlangt zijn afgunst het te halen van mijn portretten, o ramp, wanneer men zelfs een Phalaris33 duldt, of de razernij van Eche-tos34? Maar wie zou vol nijd de pilaren <van mijn roem> kunnen neerhalen, het edele Kreta en het beroemde Kupros, het onbedwing-bare Tarsos, de steden der Kilikiërs die ik ten val bracht, de muren van Antiochos, de vestingen der Assuriërs, Perzen, Phoinikiërs en Ara-bieren? Ontelbare volkeren op aarde weken allen voor mijn zwaaiende speer. Wie zou dat kunnen aantasten? Vernietig <mijn afbeeldingen> maar, weg jullie muren! Maar mijn naam staat gegrift in de harten <van mijn volk> en leeft verder in <alle> streken <van het rijk>.


* Onmiskenbaar ingegeven door de retorische scholing zijn de e)kfra/seij (poë-tische beschrijvingen) van seizoenen, in het bijzonder van lente en zomer. Zij behoren tot de karakteristieke onderwerpen van de progumnasmata van de late Oudheid (zie bv. ook Libanios’ eÓkfrasij eÓaroj of de beschrijving van een vroege lentedag door Pamprepios). In het corpus van Geometres’ gedichten is een lange ekphrasis van de lente bewaard, die gestructureerd is volgens een aantal voorschriften van de theoretici Pseudo-Menandros en de reeds eerder vermelde Aphthonios.

Geometres begint zijn ekphrasis nl. met een schildering van de zon, de sterren, de maan en de hemel:


Cr. 348, 24-349, 7 35


Nu=n me\n xruseo/kuklon e)ph/ntunen hÀlioj aÀrma,

au)to\j d a)ntoli/hqen e)f e(speri/hn ma/la nu/sshn

i((((((ptatai u(yhlo/j, faidro/j, periw/sioj, h((du/j,

qermo/j, blastofo/roj, r(ododa/ktuloj, euÓdromoj, o)cu/j!

nu=n de\ kai\ aÓstra a)riprepe/a kai\ e)u/+droma pa/nta,

r(ei=a d a)ri/zhla kai\ e)u+/qeta pa=sin i)de/sqai.

Polla\ de\ ge)cefa/nh, kai\ aÓdhla to\ pri/n per e)o/nta,

ouÓnoma t eu)frade/j, o(lka/si lu/xnoi, o(di/taij a(goi/.

Nu=n kai\ mh/nh xruso/kerwj, aÀte nu/mfh pastou=

numfi/ou e)kproi+ei=sa, kai\ eÓggua fw=ta labou=sa,

gau=roj e)pante///llei, polloi=j d e(ka/terqe propompoi=j

aÓstrasi kudia/ei, bore/hj d e)fu/perqen a(ma/chj,

ste/llet e)j w)keano/n, file/rastoj, e)u+/xrooj, a(bra/,

ou)de\ me/lan skio/en ne/foj au)th\n a)mfipephgo\j,

ka/lloj a)naldai/nei kai\ aÓgrion a)mfikalu/ptei.

Nu=n me\n kai\ polu/optoj u(perra/gh aÓspetoj ai)qh/r,

leukoxi/twn, kroko/peploj, e)u/+pnooj, oÓmmasin au)gh/.


Nu heeft de zon haar span met gouden wielen klaar, zelf vliegt zij van het oosten naar het uiterste keerpunt in het westen, hoog verheven, schitterend, boven alles uitstekend, sierlijk, warm, bron van leven, rozenvingerig, snel en hevig. Nu stralen alle sterren zeer helder en wentelen snel, ze laten hun licht zonder moeite schitteren en zijn voor ieder goed zichtbaar. Ja, vele verschenen, die voorheen niet te zien waren, duidelijke tekens, bakens voor schepen, gidsen voor reizigers. Nu rijst ook de maan met haar gouden horens op, zoals een jong meisje uit de bruidskamer naar voren schrijdt; behoedzaam draagt zij het licht, vol trots verschijnt ze en juicht, aan weerszijden begeleid door talrijke sterren, boven de wagen van de Boreas reist zij naar de Okeanos, beminnelijk in haar kleurenpracht en sierlijk, geen zwarte schaduwrijke wolk omknelt haar, zij laat haar pracht aangroeien en verhult het lelijke. Toen brak ook de onmetelijke hemel open in heldere kleuren, met een wit en rood kleed, <zo> zuiver, een schittering voor de ogen.


Vervolgens beschrijft hij de aarde, schitterend bekleed met prachtige bloemen en bomen. Met deze volgorde, van boven naar beneden, volgt Geometres Aphthonios’ regel dat een ekphrasis a)po\ kefalh=j e)pi\ po/daj (van het hoofd naar de voeten toe) moet lopen36.

De vergelijking van de stralende maan met een bruid is al evenzeer ingebed in de retorische traditie: in een verhandeling over epideiktische speeches, toegeschreven aan Menandros, wordt voorgesteld de bruid en bruidegom te vergelijken met de pracht van de natuur (Peri\ kateunastikou=, 408): prosqh/seij de/ pou kai\ a)po\ tou= kairou= ti! ei) me\n ga\r eiÓh eÓar, oÀti a)hdo/nej kai\ xelido/nej u(ma=j katamousi/zesqai (…) kai\ oÀti nu=n h( gh= aÓnqesi kallwpi/zetai kai\ w(rai/zetai, wÀsper kai\ u(mei=j e)n wÀr# kai\ a)km$= tou= ka/llouj tugxa/nete (Maak ook ergens een vergelijking met het jaargetijde: gesteld dat het nu lente zou zijn, dan kunt ge zeggen dat nachtegalen en zwaluwen u bekoren met hun lied (…), en dat de aarde zich nu met bloemen tooit en in bloei staat, zoals ook u het hoogtepunt van uw schoonheid hebt bereikt). Door de natuur met een bruid te vergelijken, keert Geometres dit motief om.


-De verschillende categorieën die we tot hiertoe onderscheiden hebben om een aan-tal gedichten van de verzameling te classificeren, doen uiteraard geen recht aan de enorme diversiteit van Geometres’ poëzie. Om toch een idee te geven van de verscheidenheid aan thema’s en inspiratiebronnen die Geometres in zijn verzen verwerkt heeft, bespreken we tot slot nog enkele gedichten die niet onder bovenstaande onderverdelingen gerangschikt kunnen worden.


* Ei)j eÓlafon diwkome/nhn kai\ katafugou=san pro\j qa/lassan kai\ u(po\ saghneutw=n krathqei=san37 (Cr. 340, 23-30).

ÀH m eÓteken fu/gon, ei)j aÀla d eÓdramon! hÒ r(a\ matai/a

kre/ssona mhtro\j eÓxein mhtrua\n e)lpome/nh.

Ktei/nei d i)xqubo/loj, feu= aiÓsxeoj! ou)de\ kunhgo/j,

ou)de\ droma/j me ku/wn, a)lla\ li/non kate/xei.

Ou)d a)di/kwj e)di/kasse di/kh. Ti/ ga\r eÓllipon aiÕan

th\n fili/hn, mou/nwn eiÀneka qhrofo/nwn;


Voor een hert, dat achtervolgd werd, naar de zee vluchtte en door vis-sers gevangen werd.

Ik vluchtte weg van wie mij baarde38 en snelde naar de zee. Waarlijk, dwaas was mijn hoop daar een stiefmoeder te vinden, beter dan mijn moeder. Een visser doodde me, ach wat een schande! Geen jager, geen rennende hond, maar een net wist me te vangen. Het was geen onterechte straf. Waarom verliet ik immers mijn geliefde aarde…om enkele jagers?


Boek 9 van de Anthologia Palatina, dat gewijd is aan epideiktische epigrammen, bewaart verschillende gedichten met uitsluitend fantastische onderwerpen39. Geo-metres imiteert in dit epigram één van die gezochte thema’s; AP IX, 370 diende hem als model:

Ou) ku/nej, ou) sta/like/j me kath/nusan, ou)xi\ kunhgoi\

dorka/da! to\n da)po\ gh=j ei)n a(li\ plh=sa mo/ron.

e)c uÀlhj po/nt% ga\r e)ne/dramon! ei)=ta/ me plektai\

eÀlcan e)pai)gialou\j diktubo/lwn pagi/dej.

hÓliton h( xe/rsoio ma/thn fuga/j! ou)da)di/kwj me

ei(=le saghneuth\j ta)ma\ lipou=san oÓrh.

ouÓpotaÓgrhj, a(lih=ej, eÓtaÓstoxon oiÓsete xei=ra,

xe/rs% kai\ pela/gei koina\ ple/kontej uÀfh.


“Ik, een hert, werd niet gedood door honden, staaknetten of jagers; nee, in de zee kreeg ik het lot dat mij op land had bedreigd. Vanuit het woud rende ik immers de zee in. Toen trokken de gevlochten strikken van de vissers me op het strand. Ik deed er verkeerd aan het vasteland te ontvluchten, het was tevergeefs. Niet onterecht kreeg de visser me in handen, toen ik mijn heuvels had verlaten. Nooit meer zullen uw handen tevergeefs jagen, vissers, nu jullie netten vlechten die zowel op het vasteland als in de zee hun prooi vinden.”


* Ei)j tou\j filoso/fouj (Cr. 282, 16-20)

Trei==j sofi/hj polui+/storoj eÓkkritoi a)ste/rej oiÒoi

e)nqe/menoi bi/bloij oÓlbon a)peire/sion

)Arxu/taj hÕrxe, Pla/twn pla/tune, te/loj d e)pi\ pa=si

w(j eÓtuxe klhqei\j qh=ken )Aristote/lhj.


Voor de filosofen.

Drie uitmuntende denkers, die als sterren het licht van hun hoog-verheven wijsheid laten stralen, hebben hun onmetelijke rijkdom in hun boeken vastgelegd. Archutas40 was de eerste, Platoon breidde het ge-dachtegoed uit en Aristoteles bracht alles tot de perfectie, zoals zijn naam het zelf zegt.


Uit een aantal gedichten mogen we opmaken dat Geometres na een retorische scholing lessen in filosofie ging volgen. Ondanks de vele epigrammen over de grote filosofen en hun leerstellingen41, blijkt uit zijn gedichten niet meer dan een opper-vlakkige kennis van de wijsbegeerte: mogelijk heeft hij zijn studies in de filosofie niet afgemaakt. De woordspelingen in dit epigram met de namen van de filosofen zijn typerend voor Geometres (cf. het gedicht voor Basileios Parakoimomenos en de Kometopoulos).


* Ei)j th\n stau/rwsin (Cr. 328, 4-8)

(O stauro\j eiÕxe sw=ma, pneu=ma despo/tou,

kai\ fwsfo/ron la/mponta kai\ qei/an fu/sin!

Tou/twn to\ pa/sxon eÑn mo/non tw=n tessa/rwn

to\ sw=ma, taÕlla tou= pa/qouj a)nw/tera.

Voor de kruisiging.

Het kruis draagt Zijn lichaam, de Geest van de Heer, de stralende Drager van het Licht en Zijn goddelijk Wezen. Slechts één van die vier lijdt, Zijn lichaam; de andere zijn verheven boven het lijden.


Gedichten over kunstvoorwerpen werden vaak geïnterpreteerd als een literaire lusus van de dichter. In enkele artikels wees Hörandner er evenwel op dat de relatie tussen de epigrammen die we in de manuscripten aantreffen en het beschreven voorwerp veel nauwer is dan meestal wordt aangenomen42. Hoewel we slechts van een paar auteurs met absolute zekerheid weten dat hun verzen ook werkelijk op muren, beelden, mozaïeken e.d. aangebracht zijn, is het voor velen hoogstwaarschijnlijk. Het aantal ekphrastische epigrammen waarvan men kan aannemen dat ze voor reële kunstwerken gedicht zijn, is in Geometres’ oeuvre indrukwekkend. Verschillende korte gedichten kunnen een icoon, een beeldhouwwerk of een fresco begeleid hebben en als inscriptie aangebracht zijn.


* AiÓnigma ei)j aÀlaj

ÀUdatoj e)kgeno/mhn, tra/fe d hÀlioj auÕtij

a)qa/natoj, qnh/skw de/ ge mhte/ri mou/n$.


Een raadsel over zout.

Ik werd geboren uit water, de eeuwige zon bracht mij op haar beurt groot, maar slechts door de hand van mijn moeder vind ik de dood.


Dit is het enige raadsel in het corpus gedichten. Dat raadsels in de vorm van een epigram reeds in de Oudheid een aanzienlijke populariteit genoten, bewijst boek XIV van de Anthologia Palatina, dat orakels en raadsels bevat.


5. Besluit


Zoals uit de bespreking van de gedichten moge blijken, was Geometres een waardig vertegenwoordiger van de Macedonische Renaissance: in zijn oeuvre incorporeerde hij op een bijzonder harmonische manier de twee tradities waarop auteurs uit deze periode zich baseerden, nl. het antieke heidense erfgoed en de contemporaine chris-telijke samenleving.

We hebben gezien hoe hij in zijn verzen moeiteloos citaten van Homeros, de tragici e.a. verwerkte, hoe vertrouwd hij was met de werken van Gregorios van Nazianze en op welke wijze zijn retorische opleiding voelbaar is in zijn gedichten. Toch was Geometres meer dan een man van boekenwijsheid, meer dan een belezen gelegen-heidsdichter.

Hij circuleerde in de hoogste Byzantijnse kringen en verheerlijkte zijn naaste omgeving in talrijke lofgedichten; hij aarzelde niet om zijn politieke voorkeuren duidelijk te maken en was zich zeer goed bewust van zijn kwaliteiten. Geometres voelde zich als (voormalig) hofdichter nauw betrokken bij de politieke situatie van het rijk, de talloze veldslagen tegen de Bulgaren, bij de opstanden en burgeroorlogen, de intriges en het verraad aan het hof en bij de natuurrampen die zijn vaderstad troffen. Door al deze thema’s in zijn poëzie te verwerken, brengt Geometres ons een niet altijd objectief, maar toch uniek beeld van het Buzantion in de tweede helft van de tiende eeuw.

Daarnaast leren we in talrijke gedichten Geometres zelf kennen, een man verscheurd tussen verontwaardiging en ongeloof over zijn ontslag enerzijds, en religieuze vertwijfeling, angst en wanhoop anderzijds. Zijn poëzie getuigt van conflicten tussen ascese en wereldse verlokkingen, van levensmoeheid en hoop, van schuldbewustzijn en zelfbewustzijn.

Al deze thema’s zijn vervlochten in zijn epigrammen en andere gedichten en maken de werken van één van Buzantions meest getalenteerde auteurs nog steeds aangenaam om lezen.


6. Bibliografie


* Edities:

Hoewel Geometres tot de grootste Byzantijnse dichters gerekend mag worden, is van zijn verzameling gedichten voorlopig nog geen wetenschappelijke, kritische uitgave voorhanden. We hebben steeds verwezen naar de editio princeps van Cramer, ondanks het grote aantal foutieve lezingen en het gebrek aan correcties. Verbeteringen werden wel voorgesteld door latere uitgevers en commentatoren.


* Secundaire literatuur





1 Lauxtermann, 1998, blz. 358-373.

2 Genoemd naar de Macedonische dynastie, die toentertijd de troon bezette.

3 Naast Geometres getuigen ook o.a. Kassia en Leoon de Filosoof van hun bedrevenheid om klassieke remi-niscenties in hun poëzie te verwerken.

4 Herhaaldelijk refereert hij aan zijn wapenfeiten (bv. Cr. 318, 9-10).

5 De erfgenamen van de troon, Basileios II en Konstantinos VIII, waren nog te jong om te regeren. De vriend-schappelijke relatie blijkt o.m. uit de lofgedichten Cr. 276, 3-278, 20 en 308, 1-309, 13.

6 Cr. 305, 4-12 en Sajdak, 1930/1931, blz. 530-531 (zie infra). De communis opinio, dat Geometres tot bisschop van Melitene werd aangesteld, werd recentelijk ontkracht door Lauxtermann (zie noot 1).

7 Geometres’ auteurschap is echter betwist. Zie Scheidweiler, 1952, blz. 295-297 en Speck, 1965, blz. 333-336

8 Ook hier bestaat er twijfel of Geometres het lofdicht wel geschreven heeft: cf. Scheidweiler, 1952, blz. 284.

9 De Griekse tekst bevat enkele verbeteringen van Piccolos, Cougny en Scheidweiler.

10 Cr. 268, 22-26.

11 Respectievelijk AP VIII, 10b, v. 1 en Carm. Mor. XV, v. 42 (cf. ook s 130).

12 Hier wordt de tekst gevolgd van Leroy-Molinghen, 1972, blz. 410.

13 Tuphoos of Tuphoëus was een reus met 100 hoofden die de hemel bestormde en door Zeus verslagen werd.

14 De Griekse tekst bevat verbeteringen van Scheidweiler en mijzelf.

15 Cf. Sophokles, Ajax, v. 43.

16 Bedoeld zijn de Arabieren, die afstammen van Ismaël, de zoon die Agar Abraham schonk. Daar Sara, de vrouw van Abraham, haar man geen kinderen had gebaard, stuurde zij Agar, een Egyptische slavin, naar hem (Gen. 16, 1-16). Geometres heeft de omschrijving oi( th=j ÓAgar niet zonder reden gekozen: toen de slavin nl. merkte dat zij Abrahams kind droeg, begon zij haar meesteres hooghartig te behandelen, net zoals de Arabieren in de tiende eeuw het gezag van de Byzantijnen niet meer erkenden.

17 In de tekst zijn correcties opgenomen van Scheidweiler en Cougny.

18 Het beroemde verhaal van Kleobis en Bitoon is te vinden bij Herodotos, I, 31.

19 Respectievelijk W 535 en s 6; A321, a 109, d 23 en 38; Gregorios van Nazianze, Carm. Mor. XV, v. 92; AP, VIII, 141, v. 4.

20 De tekstkritische verbeteringen werden voorgesteld door Lauxtermann.

21 Basileios die als regent optreedt voor Basileios II en Konstantinos VIII.

22 Voor de spreekwoordelijke rechtschapenheid van Aristeides, zie Herodotos, VIII, 79 en 95 en Demosthenes, III, 21 en 26.

23 Een allusie op de vier kardinale deugden (voorzichtigheid, rechtvaardigheid, sterkte en matigheid).

24 Daarbij gebruikt hij enkele woorden van Slavische oorsprong. Voor een taalkundige analyse van dit opmer-kelijke gedicht, zie Grégoire, 1934, blz. 795-799.

25 Lauxtermann, 1998, blz. 379-380.

26 “Psina” betekent in verschillende Slavische talen “valse hond, canaille”.

27 Voor het verhaal van de leeuw die een aap eet als medicijn, zie Ailianos, Varia Historia, I, 9.

28 Mijn voorstellen om de tekst te corrigeren werden hier reeds opgenomen.

29Respectievelijk Carm. De se ipso, LXXXV, v. 3; Carm. De se ipso, XLII, v. 2; g 73; Carm. De se ipso, I, v. 171; Q 13, Carm. Mor. XIV, v. 103 en Carm. De se ipso LXXIII, v. 7; Carm. De se ipso, L, v. 60; Carm. De se ipso, I, v. 386; Carm. Mor. XVI, v. 4.

30 Nl. Ti/naj aÔn eiÓpoi lo/goujZie Hermogenes, 46, 8-9 (ed. Rabe).

31 Hermogenes, 46, 14-18; Aphthonios, 45, 19-20 (ed. Rabe).

32 De tekst bevat verbeteringen van Migne, Cougny, Lauxtermann en mijzelf.

33 Phalaris (6de eeuw v. Chr.), tiran van Akragas, placht zijn vijanden te verbranden in een koperen stier.

34 Echetos was een mythische koning die mensen verminkte door hen neus, oren en geslacht af te snijden (s 84-87).

35 De correcties zijn van Migne en mijzelf.

36 Aphthonios, 46, 26-28. Zie Demoen, 1999.

37 We volgen de tekstkritische suggesties van Piccolos.

38 I.e. het vasteland, de bossen.

39 Bv. een muis die gevangen wordt door een oester (IX, 86) of een nachtegaal die op de rug van een dolfijn rijdt (IX, 88).

40 Pythagoreïsch filosoof uit Tarente (ca. 428-350).

41 O.a. Aristoteles (Cr. 281, 4-6), Platoon (281, 7-12), Simplikios (281, 16-20), …

42 Hörandner, 1987, blz. 235-247 en id., 1991, blz. 415-432.