Cultuurgeschiedenis van de Klassieke Oudheid:


De perceptie van de Phoeniciërs bij de Grieken













Prof. Dr. R. Docter


2004-2005











De perceptie van de Phoeniciërs bij de Grieken


(…) Phoenices, sollers hominum genus, et ad belli pacisque munia eximium; litteras et litterarum operas, aliasque etiam artes, maria navibus adire, classe confligere, imperitare gentibus, regnum proeliumque commenti” (Pomponius Mela, 1, 12)

  1. Voorafgaande opmerkingen


Vooraleer dieper in te gaan op de vraag op welke manier de Phoeniciërs naar voor treden uit de Griekse bronnen, is het nodig een aantal bemerkingen te maken bij dit probleem.

Ten eerste is het zo, dat van de Phoenicische beschaving nagenoeg geen literaire bronnen uit de eerste hand, dit wil zeggen van de Phoeniciërs zelf, tot ons zijn gekomen1. Hoewel we beschikken over enkele duizenden inscripties, in de eerste plaats uit Karthago, is hun informatieve waarde voor een reconstructie van de samenleving waarin zij kaderden, gering: zij komen vooral voor op votiefgeschenken en grafmonumenten en geven dikwijls weinig meer dan de namen van mensen of goden, de titels of beklede ambten en dergelijke vrij geïsoleerde gegevens2. Willen we ons dus een beeld vormen van de Phoenicische wereld op basis van literaire teksten (de archeologie even buiten beschouwing gelaten), dan zijn we vooral aangewezen op teksten uit andere culturen, m.n. Egypte, het Nabije Oosten, Griekenland en Rome. Dit brengt met zich mee dat het moeilijk is het opgehangen beeld in deze teksten te toetsen aan de (een?) werkelijkheid, omdat het nauwelijks te confronteren is met de manier waarop de Phoeniciërs zich zelf zagen, of wensten te presenteren. Het kan dus interessant zijn het oordeel van de Griekse wereld te plaatsen tegenover dat van andere volkeren, in het bijzonder van de Romeinen, al moet wel worden opgemerkt dat hun beeld te situeren is in het hele discours rond de Punische oorlogen, bijgevolg uitgesproken gekleurd is en vooral betrekking zal hebben op de Phoenicische kolonie Karthago.


Daarom denk ik ten tweede dat het nuttig kan zijn in een overzicht van het beeld van de Phoeniciërs in de Griekse literatuur, ook de inwoners van Karthago hierin te betrekken. Een aantal (veronderstelde) karakteristieken die aan de Phoeniciërs worden toegeschreven, keren bij de Griekse auteurs immers ongewijzigd terug in de voorstelling van de Karthagers.


Ten derde zijn de contacten tussen de Phoeniciërs en de Grieken ouder dan de eerste literaire getuigenissen daarover. Reeds in de tweede helft van het tweede millennium v.Chr., en in het bijzonder in de 14de en 13de eeuw, toen aan Griekse zijde de Mykeners het oostelijke bekken van de Middellandse Zee bevoeren, moeten tussen beide volkeren nauwe relaties bestaan hebben3. De talrijkste literaire getuigenissen van die contacten, of liever van het treffen en de daaruit voortvloeiende concurrentiestrijd, dateren pas uit een latere periode, die inzet met de werken van Homeros. Daarom zal het steeds nodig zijn de verschillende manieren waarop de Griekse cultuur tegen de Phoeniciërs aankijkt nauwkeurig te beoordelen door de context waarin het beeld tot stand is gekomen te analyseren. Het spreekt voor zich dat, wanneer we de Phoeniciërs ontmoeten als concurrenten van de Grieken in de handel of tegenstanders in de oorlog, de berichtgeving over hen uitgesproken negatief zal zijn4.


  1. Tussen loven en laken: Phoeniciërs in de Griekse literatuur


Gewoontegetrouw vertrekken we voor een overzicht bij de twee dichtwerken van Homeros, die niet alleen de eerste beschrijvingen geven van de contacten tussen de Griekse en Phoenicische wereld, maar tevens door hun autoriteit in de latere Griekse maatschappij hun beeld doorgegeven hebben aan de volgende generaties5.


In het oudste epos, de Ilias, krijgt de lezer een ronduit positief beeld van het Phoenicische volk. Deze getuigenissen dateren duidelijk uit een periode waarin de Phoeniciërs nog geen grote pogingen ondernamen ten koste van de Griekse invloedssferen een handelsimperium in het mediterrane gebied uit te bouwen. Homeros noemt hen trouwens niet Phoeniciërs, maar Sidoniërs, de inwoners van Sidon, één van de belangrijkste steden van de Levant-kust6. Verschillende passages in de Ilias prijzen de uitzonderlijke handigheid van de Sidoniërs / Phoeniciërs in het vervaardigen van kunstvoorwerpen. Zo kiest Hekabe in het volgende fragment een gewaad uit Sidon als geschenk voor de godin Athena bij een offerplectigheid7:


“aÙt¾ d' ™j q£lamon kateb»seto khèenta,

œnq' œs£n oƒ pšploi pampo…kila œrga gunaikîn

Sidon…wn, t¦j aÙtÕj 'Alšxandroj qeoeid¾j

½gage Sidon…hqen ™piplëj eÙrša pÒnton,

t¾n ÐdÕn ¿n `Elšnhn per ¢n»gagen eÙpatšreian·

tîn ›n' ¢eiramšnh `Ek£bh fšre dîron 'Aq»nV,

Öj k£llistoj œhn poik…lmasin ºdmšgistoj,

¢st¾r d' ìj ¢pšlampen œkeito dne…atoj ¥llwn.”


“Zelf daalde ze af naar de welriekende voorraadkamer waar haar kleurrijke gewaden lagen, het handwerk van vrouwen uit Sidon, die de godgelijke Alexandros zelf uit die stad had meegebracht toen hij op de brede zee voer, nadat hij Helena, dochter van een edele vader, had ontvoerd. Eén van die ge-waden zocht Hekabe uit als geschenk voor Athena, het mooiste en grootste kleed met prachtig borduurwerk, schitterend als een ster, het onderste van de stapel.”


De gewaden uit Sidon waren, zo blijkt onmiskenbaar uit de passage, in aristocratische kringen zeer gegeerd, zodanig zelfs dat Alexandros (Paris) vrouwen uit Sidon (t¦j½gage Sidonhqen) had meegebracht (of geroofd? gekocht?) om de stoffen in Troje zelf, in het paleis, te vervaardigen8. Die kleren pasten ongetwijfeld bij de waardigheid van het Trojaanse koningshuis en werden bovendien mooi genoeg geacht om aan Athena, de voornaamste godin van Troje9, als offer te worden aangeboden.


Ook in de edelsmeedkunst genoten de Phoeniciërs volgens de homerische helden grote faam10:


“Phledhj d' ay' ¥lla t…qei tacutÁtoj ¥eqla

¢rgÚreon krhtÁra tetugmšnon· ex d' ¥ra mštra

c£ndanen, aÙt¦r k£llei ™n…ka p©san ™p' aan

pollÒn, ™peˆ SidÒnej poluda…daloi eâ ½skhsan,

Fo…nikej d' ¥gon ¥ndrej ™p' ºeroeidša pÒnton,

stÁsan d' ™n limšnessi, QÒanti d dîron œdwkan·

uŒoj d Pri£moio Luk£onoj ðnon œdwke

PatrÒklJ ¼rwi 'Ihson…dhj EÜnhoj.

kaˆ tÕn 'AcilleÝj qÁken ¥eqlon oá ˜t£roio,

Ój tij ™lafrÒtatoj possˆ kraipno‹si pšloito.”


“Toen loofde de zoon van Peleus andere prijzen uit voor het hardlopen, nl. een mooi vervaardigd zilveren mengvat waarin wel zes maten konden; in pracht overtrof het verreweg alle andere op aarde, want zeer bekwame Sidoniërs hadden het met zorg vervaardigd. Phoeniciërs brachten het over de nevelige zee naar onze havens en gaven het als geschenk aan Thoas. Euneos, zoon van Ieson, schonk het als prijs voor Priamos’ zoon Lukaon aan de held Patroklos. Ter ere van zijn vriend loofde Achilleus dit vat als prijs uit voor wie het snelst zou lopen.”


Opmerkelijk is vooral dat in dit fragment een onderscheid wordt gemaakt tussen de makers van het kunstvoorwerp (de Sidoniërs) en de handelaars (de Phoeniciërs)11. Het is niet helemaal duidelijk of het gemaakte onderscheid beantwoordt aan de werkelijkheid of ingegeven is door een poëtisch streven naar variatie. Doorgaans worden immers de Sidoniërs en Phoeniciërs aan elkaar gelijkgesteld12.

Het mengvat, dat een hele voorgeschiedenis meekrijgt en dus al het patina van ouderdom met zich meedraagt, moet een aanzienlijke waarde hebben gehad: de tweede en derde prijs (en dus uiteraard minder waardevol) in de lijkspelen waren nl. respectievelijk een os en een half talent goud. Dit maakt duidelijk in welke mate het Phoenicische vakmanschap in de Griekse wereld werd geapprecieerd.

Die handigheid van de Phoeniciërs is trouwens niet alleen in de vroegste Griekse literatuur, bij Homeros, geattesteerd, maar ook in het Oude Testament is herhaaldelijk sprake van hun uitzonderlijke vaardigheid, in het bijzonder op het vlak van de edelsmeedkunst13.


In de Odysseia klinkt dit positieve beeld nog even door. Het zijn opnieuw de Sidoniërs die geroemd worden om hun kundige metaalbewerking. Wanneer nl. Telemachos Menelaos opzoekt, wil de laatste de koningszoon een geschenk meegeven en biedt hem drie paarden en een span aan. Telemachos bedankt hiervoor, omdat Ithaka geen geschikte omgeving is om paarden te houden. Daarop antwoordt Menelaos14:


" dèrwn d', Óss' ™n ™mù o‡kJ keim»lia ke‹tai,

dèsw, Ö k£lliston kaˆ timhšstatÒn ™sti.

dèsw toi krhtÁra tetugmšnon· ¢rgÚreoj d

œstin ¤paj, crusù d' ™pˆ ce…lea kekr£antai,

œrgon d' `Hfa…stoio· pÒren dš ˜ Fa…dimoj ¼rwj,

Sidon…wn basileÚj, Óq' ˜Õj dÒmoj ¢mfek£luye

ke‹sš me nost»santa· ten d' ™qšlw tÒd' Ñp£ssai."


“Van de geschenken die in mijn huis als schatten liggen zal ik je het mooiste en kostbaarste geven. Ik zal je een kunstig vervaardigd mengvat geven. Het is helemaal van zilver en de randen zijn met goud afgezet, een werkstuk van Hephaistos. De held Phaidimos, koning van de Sidoniërs, gaf het me toen ik bij hem kwam en zijn huis me herbergde. Dat wil ik je nu schenken.”


Opnieuw een prachtig kunstvoorwerp, dat zeker evenveel waard moet zijn geweest als het vorige aanbod van Menelaos (hij kon uiteraard geen minder waardevol cadeau aanbieden), en bovendien een (gast)geschenk dat koningen en konings-zonen onder elkaar kunnen uitwisselen.


Een heel opmerkelijk voorbeeld van de Phoenicische vaardigheid en haar (hoogstwaarschijnlijke) receptie door de Grieken biedt ook het beroemde verhaal over Odysseus’ huwelijksbed15. Zoals bekend had Odysseus dit zelf uit een olijfboom vervaardigd en ingelegd met goud, zilver en ivoor. In 1966 werd een bed van Phoenicische makelij gevonden dat met de beschrijving in de Odysseia een verbluffende gelijkenis vertoonde. Het is zeker niet onmogelijk dat de Griekse epische traditie Odysseus, die immers conventioneel toch alle vaardigheden tot in de perfectie beheerste, zijn bed liet maken volgens een Phoenicische techniek, een duidelijke aanwijzing voor het respect dat voor deze bedrevenheid werd betoond16.


Uit al deze voorbeelden blijkt reeds in de homerische periode een duidelijke waardering en bewondering voor Phoenicisch vakmanschap. Kunstvoorwerpen uit Phoenicië circuleerden aan de Griekse koningshoven en waren voor de aristocratie geliefde geschenken die vaak werden uitgewisseld. Vanuit die optiek kan men het moeilijk eens zijn met de bewering van Boardman, “that it is only after Greeks establish themselves on the Syrian coast that Greece begins to receive and appreciate eastern products.”17. Voor Boardman staat het buiten kijf dat enkel een Grieks initiatief de katalysator kan zijn voor een culturele uitwisseling met de Poeniciërs. Zoals we verderop nog zullen zien, was het beeld van de Phoeniciërs, vaak hun evenwaardige concurrenten op zee, dat de Grieken ophingen allerminst positief. Dat zij als eersten de aanzet gaven tot de contacten met het oosten is het beeld dat de Grieken zelf graag willen geloven én anderen laten geloven. Boardman lijkt al dan niet bewust in de Griekse propaganda-val te zijn getrapt die iemand als Plato zo mooi heeft gespannen18. Mochten de Grieken immers om welke reden ook zelf iets aan een ander volk hebben ontleend, dan gold toch zeker wel de volgende bewering:


l£bwmen dæj Ótiper ¨n “Ellhnej barb£rwn paral£bwsi, k£llion toàto e„j tšloj ¢perg£zontai


“Laten we opmerken dat wat de Grieken ook overnemen van andere volkeren, zij er uiteindelijk iets beters van maken.”


Het is eerlijker en correcter te stellen dat Phoeniciërs en Grieken in deze periode zeker elkaars gelijke waren in het maritieme verkeer en uitwisselen van (culturele) invloeden, of misschien zelfs eerder dat de Phoenicische impact in de wederzijdse beïnvloeding de Griekse overtrof19.


Ook in het volgende fragment van de Odysseia komen de Phoeniciërs positief naar voor. Wanneer Odysseus in zijn moeilijkheden een beroep doet op Phoenicische zeelieden, komen zij nauwkeurig hun belofte na en beroven hem niet, terwijl zij dit toch zeer gemakkelijk hadden gekund20:


aÙt…k' ™gën ™pˆ nÁa kiën Fo…nikaj ¢gauoÝj

llis£mhn ka… sfin menoeikša lhda dîka·

toÚj m' ™kšleusa PÚlonde katastÁsai kaˆ ™fšssai

À e„j ”Hlida d‹an, Óqi kratšousin 'Epeio….

¢ll' Ã to… sfeaj ke‹qen ¢pèsato Šj ¢nšmoio

pÒll' ¢ekazomšnouj, oÙd' ½qelon ™xapatÁsai.

ke‹qen d plagcqšntej ƒk£nomen ™nq£de nuktÒj.

spoudÍ d' ™j limšna proeršssamen, oÙdš tij ¼min

dÒrpou mnÁstij œhn m£la per catšousin ˜lšsqai,

¢ll' aÜtwj ¢pob£ntej ™ke…meqa nhÕj ¤pantej.

œnq' ™m mn glukÝj Ûpnoj ™pšllabe kekmhîta,

oƒ d cr»mat' ™m¦ glafurÁj ™k nhÕj ˜lÒntej

k£tqesan, œnqa per aÙtÕj ™pˆ yam£qoisin ™ke…mhn.

oƒ d' ™j Sidon…hn eâ naiomšnhn ¢nab£ntej

õcont'· aÙt¦r ™gë lipÒmhn ¢kac»menoj Ãtor."


“Dadelijk ging ik naar een schip, richtte mijn smeekbede tot de fiere Phoeni-ciërs en gaf hen een deel van de rijkelijke buit. Ik vroeg hen me naar Pylos te brengen of naar het heilige Elis, waar de Epeiërs regeren. De krachtige wind dreef hen echter uit koers, het was geen opzet, ze wilden me niet bedriegen. We kwamen hier vannacht met veel moeite aan. We roeiden met veel inspanning naar de haven en dachten niet aan eten al hadden we nog zo’n honger. We gingen allen van boord en legden ons te rusten. De zoete slaap overviel me, uitgeput als ik was; zij laadden mijn goederen uit hun gewelfde schip en legden ze op de plaats waar ik zelf op het strand lag. Zij reisden weg naar hun mooi gelegen Sidon. Ik bleef achter met een hart vol zorgen.”


Toch moet erop gewezen worden dat het feit dat Odysseus zo expliciet vermeldt dat zij hem niet wilden bedriegen door van hun reisplan af te wijken en dit buiten de wil van de Phoeniciërs om gebeurde, er toch op wijst dat dergelijke praktijken wel eens moeten zijn voorgekomen; nu evenwel waren zij correct opgetreden. Eenzijdig positief is het oordeel misschien niet echt te noemen.


Reeds in de volgende zang slaat het beeld van de Phoeniciërs helemaal om en ontmoeten we voor het eerst de voorstelling van de geslepen, op winst beluste en onbetrouwbare koopman die voor niets terugdeinst. Het is dit portret dat in de Oudheid zal uitgroeien tot een cliché dat, hoewel het Griekse normensysteem steeds negatief geoordeeld heeft over al wie – vreemdeling of Griek - in maritieme handels-activiteiten was betrokken, in het bijzonder van toepassing was op de Phoeniciër21. Odysseus verwoordt het als volgt22:


d¾ tÒte Fo‹nix Ãlqen ¢n¾r ¢pat»lia e„dèj,

trèkthj, Öj d¾ poll¦ k£k' ¢nqrèpouj ™eÒrgei·

Ój m' ¥ge parpepiqën Îsi fres…n, Ôfr' ƒkÒmesqa

Foin…khn, Óqi toà ge dÒmoi kaˆ kt»mat' œkeito.

œnqa par' aÙtù me‹na telesfÒron e„j ™niautÒn.

¢ll' Óte d¾ mÁnšj te kaˆ ¹mšrai ™xeteleànto

¨y peritellomšnou œteoj kaˆ ™p»luqon ïrai,

j LibÚhn m' ™pˆ nhÕj ™fšssato pontopÒroio,

yeÚdea bouleÚsaj, †na oƒ sÝn fÒrton ¥goimi,

ke‹qi dš m' æj per£seie kaˆ ¥speton ðnon ›loito."


“Er kwam een Phoeniciër, een echte knibbelaar, naar me toe, een bedrieger die al veel mensen kwaad had gedaan. Hij overhaalde me handig mee te gaan naar Phoenicië, waar zijn huis en bezittingen waren. Daar bleef ik een vol jaar bij hem. Maar toen de maanden en dagen voorbij waren, het jaar rond was en de lente kwam, overhaalde hij me met leugens en nam me mee naar Libië op een schip dat de zee doorklieft, zogezegd om met een lading te helpen, maar in werkelijkheid zou hij me daar voor een goede prijs proberen te verkopen.”


Dit uitgesproken pejoratief beeld van de bedrieglijke Phoeniciër komt nog het best tot uiting in het tragische verhaal van Eumaios, de zwijnenhoeder op Ithaka, die toch van koninklijke afkomst was maar door het toedoen van Phoeniciërs in die ellendige situatie terecht kwam23:


œnqa dFo…nikej nausiklutoˆ ½luqon ¥ndrej,

trîktai, mur…' ¥gontej ¢qÚrmata nhmela…nV.

œske dpatrÕj ™mo‹o gun¾ Fo…niss' ™nˆ o‡kJ,

kal» te meg£lh te kaˆ ¢gla¦ œrga „du‹a·

t¾n d' ¥ra Fo…nikej polupa…paloi ºperÒpeuon."


“Toen kwamen Phoeniciërs aan, grote zeevaarders maar echte knibbelaars, met talloze snuisterijen aan boord van hun zwart schip. In het huis van mijn vader leefde een Phoenicische vrouw, knap, groot en vaardig in zeer mooi handwerk. De geslepen Phoeniciërs palmden haar in.”


Typisch is dat de Phoenicische als ¢gla¦ œrga „du‹a wordt gekenmerkt. Opmerkelijk is ook dat zowel in deze passage als in de voorafgaande de Phoeniciërs aangeduid worden als trîktai, een bij Homeros en verder in de hele Griekse literatuur zeldzaam woord dat in de Odysseia zelfs alleen voor Phoeniciërs wordt gebruikt24. Trèkthj is afgeleid van trègw (“knabbelen, opeten”) en tekent mooi de geldzucht en gierigheid van de kooplieden25. In de twee verzen krijgen de begrippen trèkthj en trîktai bijzondere nadruk, niet alleen omdat ze als markeringspunten aan het begin van de hexameter staan, maar ook omdat zij de verzen laten beginnen met een zware spondee i.p.v. de verwachte dactylus, een onmiskenbare manier om het oordeel van de lezer over de Phoeniciërs te sturen.


Vervolgens wordt het beeld na deze aanloop heel wat minder lovend: de zeelieden deden haar het voorstel na hun commerciële activiteiten met hen terug te varen naar haar thuisland. De vrouw stemde in en voegde eraan toe26:


o‡sw g¦r kaˆ crusÒn, Ótij c' Øpoce…rioj œlqV.

kaˆ dš ken ¥ll' ™p…baqron ™gën ™qšlous£ ge do…hn·

pa‹da g¦r ¢ndrÕj ™Áoj ™nˆ meg£rois' ¢tit£llw,

kerdalšon d¾ to‹on, ¤ma trocÒwnta qÚraze·

tÒn ken ¥goim' ™pˆ nhÒj, Ð d' Ûmin mur…on ðnon

¥lfoi, ÓpV per£shte kat' ¢lloqrÒouj ¢nqrèpouj."


“Ik zal ook al het goud meenemen dat ik te pakken krijg om dat als vaargeld te geven. In het paleis zorg ik voor het zoontje van mijn meester, een schrander jongetje, dat altijd met me naar buiten loopt. Hem zal ik naar het schip bren-gen, hij zal jullie een zeer grote winst opleveren, bij wie jullie hem ook verko-pen.”


Toen de Phoeniciërs hun waren hadden verkocht, stuurden ze één van hen naar het paleis (een ¢n¾r polÚidrij bij Homeros, een listige zwendelaar dus). Hij gaf een teken aan de vrouw en zij nam enkele bekers en Eumaios mee.


In dit verhaal komen vooreerst enkele traditioneel positieve eigenschappen van de Phoeniciërs naar voor (hun roem als zeevaarders en handwerkslieden), naast talrijke negatieve die in de verdere Griekse literatuur met een zekere regelmaat opnieuw zullen opduiken: de geslepenheid die zij aan de dag leggen om winst te maken, hun oneerlijkheid en optreden als ontvoerders en slavenhandelaars. Het oordeel dat Homeros in die verzen velt is illustratief voor de verdere Griekse literatuur: de Phoe-iciërs zijn uitmuntende handwerkslieden en verdienen alle lof, zolang zij maar geen bedreiging vormen voor de handelsbelangen van de Grieken. Wanneer dit laatste wel gebeurt en zij op een terrein komen dat de Grieken voor zich willen houden (of hadden willen houden), zal de Griekse wereld de Phoeniciërs uitgesproken vijandig benaderen27. Boardman besluit m.i. dan ook volkomen onterecht: “It is unwise to blame Homer for some imagined Greek antagonism to them in antiquity; it is simply not there though he makes them as suspect in an aristocratic society as were all tradesmen (…).”28. Ik hoop niet dat de auteur zich beperkt heeft tot een lezing van Homeros, en op basis daarvan geconcludeerd heeft dat het negatieve beeld van de Phoeniciërs volkomen te verklaren is vanuit een sociaal perspectief, vanuit een aristocratische maatschappij waarin handelaars als minderwaardig werden beschouwd. Ten eerste zal, zoals verder zal blijken, dat negatieve oordeel nooit uit de Griekse literatuur verdwijnen (al evenmin als de appreciatie van de positieve eigenschappen van de Phoeniciërs). Ten tweede blijft de sociale afkeuring die een handelaar te beurt valt in de Griekse wereld een constante in de teksten29, ook in de latere veranderde en meer democratische samenleving, en ik denk niet dat dit gegeven alléén in staat is het Griekse oordeel over de Phoeniciërs te verklaren.


Vertrekkend van die dubbele houding bij Homeros, die in zijn epen zowel de capaci-teiten en verdiensten van de Phoeniciërs roemt als hun (al dan niet gefingeerde of overdreven?) tekorten en fouten vermeldt, is het in de volgende paragrafen de bedoeling een overzicht te geven van het voortleven van de tweevoudige reputatie van het Phoenicische volk in de post-homerische Griekse wereld.


De Phoeniciërs hebben, zoals reeds bij Homeros, in de eerste plaats naam en faam verworven als producenten van kostbare geweven en geverfde stoffen. De 5de-eeuwse komediedichter Hermippos bijvoorbeeld noemt als typische voorwerpen waarvoor Karthago bekend is, haar tapijten en kleurrijke kussens (d£pidaj kaˆ poik…la proskef£laia)30. Maar het bekendste en in de Oudheid zeer vermaarde product van de Phoenicische nijverheid is natuurlijk de purperrode verfstof, teken van rijkdom, smaak en aanzien. Volgens de antieke etymologie, gevolgd door het merendeel van de moderne onderzoekers, zouden de Phoeniciërs zelfs hun naam te danken hebben aan de verfstof31:


Fo…nikej· par¦ oân tÕ foinÕn dhloàn tÕ ™ruqrÒn, ½goun tÕ purrÒn, g…netai parènumon fo‹nix”


Phoeniciërs: Het woord fo‹nix is afgeleid van foinÕj, wat ‘rood’ betekent, een synoniem van purrÒj.”


Purperen stoffen worden dikwijls zelfs expliciet aangeduid als “Tyrisch purper”32. Volgens Strabo maakte precies die purperen kleurstof gecombineerd met de reeds bekende handigheid van de inwoners van Tyrus de stad rijk33:


polÝ g¦r ™x»tastai pasîn ¹ Tur…a kall…sth porfÚra (...) kaˆ dusdi£gwgon mn poie‹ t¾n pÒlin ¹ poluplhq…a tîn bafe…wn, plous…an ddi¦ t¾n toiaÚthn ¢ndre…an.


Het puper van Tyrus wordt immers beschouwd als verreweg het mooiste van allen. (…) Hoewel het grote aantal verfplaatsen het leven in de stad onaange-naam maakt, maakt deze handigheid <van haar inwoners> haar rijk.”


Dit purper werd na verloop van tijd een dergelijk prestige toegemeten dat in de Romeinse periode enkel de keizer, senatoren en priesters de Tyrische kleur mochten dragen34. In de hele Oudheid zal de roem van het purper en de vaardigheid waarmee de Phoeniciërs de stoffen met die kleur bewerkten, onaangetast blijven.


Homeros roemde tevens de bekwaamheid van de Phoeniciërs in het bewerken van edelmetalen: zij waren gekend om hun handigheid in het vervaardigen en verfraaien van gouden, zilveren en bronzen voorwerpen. De koloniestichtingen van de Phoeniciërs in metaalrijke gebieden als Sicilië, Spanje en Thasos houden hiermee duidelijk verband35. Nog in de Keizertijd klinkt de roem van de Phoeniciërs door als uiterst bekwame ambachtslieden. Wanneer Flavius Josephus verhaalt over de bouw van de tempel onder Salomo, vermeldt hij dat de koning een inwoner van Tyrus ontbood36:


oátoj ¤pantoj mn ™pisthmÒnwj ecen œrgou, m£lista d tecn…thj Ãn crusÕn ™rg£zesqai kaˆ ¥rguron kaˆ calkÒn, Øf' oá d¾ kaˆ p£nta kat¦ t¾n toà basilšwj boÚlhsin t¦ perˆ tÕn naÕn ™mhcan»qh.


“Die man was bekwaam in elk soort werk, maar zijn specialiteit was het bewerken van goud, zilver en brons. Hij vervaardigde alles rond de tempel overeenkomstig de wil van de koning.”


Volgens de Griekse bronnen blonken de Phoeniciërs niet alleen uit in de meer ver-fijnde kunsten en handwerk. Ook bij grotere ondernemingen wordt hun praktisch en organisatorisch talent geprezen. Zo vermeldt Herodotos dat, toen de Perzen tijdens de voorbereiding van hun invasie in Hellas een kanaal bij de Hellespont lieten graven, zij het werk opdeelden en telkens een deel toewezen aan een ander volk dat met hen was opgetrokken. Elke groep had af te rekenen met instortingen tijdens het graafwerk, behalve de Phoeniciërs, want:


Oƒ dFo…nikej sof…hn œn te to‹si ¥lloisi œrgoisi ¢pode…knuntai (…)”


De Phoeniciërs legden hierbij dezelfde vaardigheid aan de dag als bij al de andere zaken die zij ondernemen.”


Vermeldenswaard is tevens dat, in meer abstracte zin, ook op staatkundig vlak de Phoeniciërs een goede naam genoten. Zo konden de interne organisatie, de staatsvorm en voorzieningen van Karthago de goedkeuring wegdragen van de Grieken37:


PoliteÚesqai ddokoàsi kaˆ KarchdÒnioi kalîj kaˆ poll¦ perittîj prÕj toÝj ¥llouj, m£lista d' œnia paraplhs…wj to‹j L£kwsin.(…) kaˆ poll¦ tîn tetagmšnwn œcei par' aÙto‹j kalîj· shme‹on d polite…aj suntetagmšnhj tÕ tÕn dÁmon diamšnein ™n tÍ t£xei tÁj polite…aj, kaˆ m»te st£sin, Ó ti kaˆ ¥xion e„pe‹n, gegenÁsqai m»te tÚrannon.

De Karthagers lijken, in vergelijking met anderen, een behoorlijke en goed georganiseerde staatsstructuur te hebben, waarbij sommige aspecten nog het meest lijken op de Laconische. (…) Ook hebben zij veel goede maatschappe-lijke instellingen. Een bewijs voor hun evenwichtige staatsorde is, dat het volk de structuur van de samenleving blijft aanvaarden en dat er geen tiran of noemenswaardige opstanden bestaan.”


De Phoeniciers als zeevaarders

Bijzonder beroemd waren de Phoeniciërs echter om de tweede grote positieve eigenschap die Homeros hen toeschrijft, nl. hun behendigheid op zee als zeevaarders, ontdekkers en kooplieden. In de Griekse literatuur verschijnen zij als de onbetwiste heersers van de zee die de verste delen van de wereld bevoeren en verkenden en talrijke gebieden koloniseerden38. Uiterst pregnant klinkt het in een scholion bij een reeds eerder geciteerd vers van Homeros39:


prîtoi dFo…nikej t¦ mšgista diepšrasan pel£gh.


“Als eersten doorkruisten de Phoeniciërs de zeer uitgestrekte zeeën.”


Herodotos vat in de volgende woorden de Phoenicische activiteit over zee kernachtig samen40:


toÚtouj g£r, ¢pÕ tÁj 'EruqrÁj kaleomšnhj qal£sshj ¢pikomšnouj ™pˆ t»nde t¾n q£lassan kaˆ o„k»santaj toàton tÕn cîron tÕn kaˆ nàn o„kšousi, aÙt…ka nautil…Vsi makrÍsi ™piqšsqai, ¢paginšontaj d fort…a A„gÚpti£ te kaˆ 'AssÚria tÍ te ¥llV [cèrV] ™sapiknšesqai kaˆ d¾ kaˆ ™j ”Argoj


Zij kwamen van de zogenaamde Rode Zee naar deze zee en installeerden zich in die gebieden die ze ook vandaag nog bewonen. Dadelijk ondernamen zij verre zeereizen. Ze brachten Egyptische en Assyrische goederen naar andere streken en deden zo ook Argos aan.”


De antieke bronnen zijn het eens over het Phoenicische meesterschap op zee en de ouderdom van haar kolonies, maar m.i. valt het toch op dat de Griekse teksten zich meestal beperken tot een opsomming of voorstelling van de verwezenlijkingen van de Phoeniciërs, zonder zich echt in lovende termen daarover uit te laten, zoals ze dat veel duidelijker deden waar het de reputatie van hun stoffen en edelsmeedkunst betrof. In se geen houding waarover men zich moet verwonderen, omdat de Grieken zelf bekend stonden als grote zeevaarders en dus zeer begrijpelijk hun concurrenten op zee niet te veel wilden prijzen maar de eer liever voor zichzelf wilden houden. Verder zullen we zien dat de Griekse bronnen dikwijls (of veeleer) zullen proberen de Phoenicische ondernemingen op zee zo zwart mogelijk voor te stellen door hun waarde als handelspartners aan te vallen.


De Phoeniciërs golden niet alleen als uiterst bekwame zeelieden in vredestijd, ook wanneer er oorlog heerste, was hun vloot door de voortreffelijke bouw van de schepen, de ervaring van de opvarenden en hun superieure techniek een geduchte tegenstander41:


tù te g¦r tacunaute‹n polÝ periÁsan di¦ t¾n diafor¦n tÁj nauphg…aj kaˆ t¾n tîn plhrwm£twn ›xin. (…) e‡te g¦r pišzointÒ tinej ØpÕ tîn polem…wn, katÒpin ¢necèroun ¢sfalîj di¦ tÕ tacunaute‹n e„j tÕn ¢napeptamšnon tÒpon· k¥peit' ™k metabolÁj to‹j prop…ptousi tîn diwkÒntwn, tot mn periplšontej tot d pl£gioi prosp…ptontej strefomšnoij kaˆ duscrhstoàsi di¦ tÕ b£roj tîn plo…wn kaˆ di¦ t¾n ¢peir…an tîn plhrwm£twn, ™mbol£j te sunece‹j ™d…dosan kaˆ poll¦ tîn skafîn ™b£ptizon·


In snelheid overtroffen <de Puniërs de Romeinen> gemakkelijk door hun uitmuntende scheepsbouw en de training van de bemanning. (…) Wanneer zij immers door vijanden bedreigd werden, trokken zij zich dankzij hun snelheid weer veilig terug in de open zee. Dan keerden zij zich om, voeren rond de voorste schepen van hun achtervolgers en vielen hen dan weer in de flank aan. Ze ramden onophoudelijk <de vijandige schepen>, die moesten draaien en problemen ondervonden door het gewicht van hun vaartuigen en het gebrek aan ervaring bij de bemanning, en brachten veel schepen tot zinken.”


Voor de meest lovende uitingen is het wachten op Polybios en Strabo:


(…)Karchdon…oij (…) to‹j ™k progÒnwn œcousi t¾n kat¦ q£lattan ¹gemon…an ¢d»riton. (…)T£ ge m¾n kat¦ mšroj, oŒon eÙqšwj t¦ prÕj t¦j polemik¦j cre…aj, tÕ mn prÕj t¦j kat¦ q£lattan, Óper e„kÒj, ¥meinon ¢skoàsi kaˆ paraskeu£zontai KarchdÒnioi di¦ tÕ kaˆ p£trion aÙto‹j Øp£rcein ™k palaioà t¾n ™mpeir…an taÚthn kaˆ qalattourge‹n m£lista p£ntwn ¢nqrèpwn (…)”42


(…) de Karthagers (…) die van oudsher de onbetwiste heerschappij over de zee hebben. (…) Wat nu de meer gedetailleerde verschillen betreft, zoals bij-voorbeeld de manier van oorlogsvoeren, waren de Karthagers op zee natuur-lijk superieur in training en uitrusting, omdat ervaring daarin van oudsher de kracht van hun land is en zij zich het meest van alle mensen met zeevaart bezig houden (…).”


¢nšlaben aØt¾n tÍ te nautil…v, kaq' ¿n ¡p£ntwn tîn ¢eˆ kre…ttouj e„sˆ koinÍ Fo…nikej, kaˆ to‹j porfure…oij· (…) Sidènioi dpolÚtecno… tinej paradšdontai kaˆ kall…tecnoi, kaq£per kaˆ Ð poiht¾j dhlo‹· prÕj d kaˆ filÒsofoi per… te ¢stronom…an kaˆ ¢riqmhtik»n, ¢pÕ tÁj logistikÁj ¢rx£menoi kaˆ tÁj nuktiplo…aj· ™mporikÕn g¦r kaˆ nauklhrikÕn ˜k£teron·43


<Het Phoenicische volk> kwam de problemen te boven door haar zeemanschap waarin de Phoeniciërs de andere volkeren in het algemeen altijd hebben overtroffen, en hun verfplaatsen voor het purper. (…) Volgens de overlevering zijn de inwoners van Sidon bekwaam in vele en mooie kunsten, zoals ook de dichter zegt44. Daarnaast beoefenen zij ook de astronomie en rekenkunst, waarbij zij vertrokken van praktische berekeningen en het varen bij nacht. Elk van deze wetenschappen zijn immers van belang voor hande-laars en scheepseigenaars.”


De Phoeniciers als handelaars

Vooral de roem van de Phoeniciërs als gewiekste kooplieden was (en is) legenda-risch. Handel drijven was volgens Diodoros de drijfveer voor hun verre reizen en ko-loniestichtingen45:


Fo…nikej ™k palaiîn crÒnwn sunecîj plšontej kat' ™mpor…an poll¦j mn kat¦ t¾n LibÚhn ¢poik…aj ™poi»santo, oÙk Ñl…gaj d kaˆ tÁj EÙrèphj ™n to‹j prÕj dÚsin keklimšnoij mšresi. tîn d' ™pibolîn aÙto‹j kat¦ noàn procwrousîn, ploÚtouj meg£louj ½qroisan, kaˆ t¾n ™ktÕj `Hrakle…wn sthlîn ™peb£lonto ple‹n, ¿n çkeanÕn Ñnom£zousi. (…) deinoˆ g£r, æj œoiken, ØpÁrxan oƒ Fo…nikej ™k palaiîn crÒnwn e„j tÕ kšrdoj eØre‹n (…).”


De Phoeniciërs, die van oudsher steeds maar op zee varen om handel te drijven, stichtten vele kolonies in Libië en niet weinig in de westelijke streken van Europa. Daar al hun ondernemingen naar wens verliepen, verzamelden zij grote rijkdommen en vatten het plan op de zee voorbij de zuilen van Herakles op te varen, die men oceaan noemt. (…) Naar het schijnt hebben de geweldige Phoeniciërs van bij het begin begrepen waar winst te halen was (…).”


Vooral de gedachte, verwoord in de slotzin, dat de Phoeniciërs dankzij hun inzicht, flexibiliteit46 en vooruitziendheid (ØpÁrxan en ™k palaiîn crÒnwn lijkt de factor toeval immers uit te schakelen) succesvol waren in al hun handelsondernemingen zal de Grieken, zelf actieve handelaars, hoog hebben gezeten. Vermoedelijk keken zij vaak vol afgunst naar hun belangrijkste concurrenten in het maritieme handelsverkeer. Het ontdekken en economisch ontsluiten van nieuwe gebieden en het optreden als handelspartner van en tussenpersoon tussen talloze landen zal een taak geweest zijn die de Grieken liever voor zichzelf hadden gereserveerd. Ik denk dat Diodoros hen niet toevallig deinoˆ noemt: in dit woord schuilen nl. zowel bewondering (‘knap’, ‘vindingrijk’) als jaloezie en vrees (‘geducht’, ‘verschrikkelijk’).

Meestal bleef de concurrentiestrijd evenwel niet zo subtiel. Door laster en (al dan niet terechte) beschuldigingen probeerden de Grieken de naam van de Phoeniciërs als handelspartners te bekladden. Dit aspect was reeds aanwezig in de Odysseia, in het verhaal van Eumaios (cf. supra) en zal vanaf dan in de Griekse literatuur herhaalde-lijk aan bod komen.


Zo waren volgens Herodotos de Phoeniciërs de oorzaak van alle twisten tussen de Grieken en het oosten, i.c. de Perzen. Toen zij als kooplieden in Hellas waren aangekomen, gebeurde immers het volgende47:


Persšwn mšn nun oƒ lÒgioi Fo…nikaj a„t…ouj fasˆ genšsqai tÁj diaforÁj· (…) 'Apikomšnouj d toÝj Fo…nikaj ™j d¾ tÕ ”Argoj toàto diat…qesqai tÕn fÒrton. PšmptV d À ›ktV ¹mšrV ¢p' Âj ¢p…konto, ™xempolhmšnwn sfi scedÕn p£ntwn, ™lqe‹n ™pˆ t¾n q£lassan guna‹kaj ¥llaj te poll¦j kaˆ d¾ kaˆ toà basilšoj qugatšra· tÕ dš oƒ oÜnoma enai, kat¦ tçutÕ tÕ kaˆ “Ellhnej lšgousi, 'Ioàn t¾n 'In£cou. TaÚtaj st£saj kat¦ prÚmnhn tÁj neÕj çnšesqai tîn fort…wn tîn sfi Ãn qumÕj m£lista, kaˆ toÝj Fo…nikaj diakeleusamšnouj ÐrmÁsai ™p' aÙt£j. T¦j mn d¾ plšonaj tîn gunaikîn ¢pofuge‹n, t¾n d 'Ioàn sÝn ¥llVsi ¡rpasqÁnai· ™sbalomšnouj d ™j t¾n nša o‡cesqai ¢poplšontaj ™p' A„gÚptou.


De Perzische geleerden zeggen nu dat de Phoeniciërs aan de basis liggen van het conflict. (…) Aangekomen in Argos stelden ze hun waren tentoon. Op de vijfde of zesde dag na hun aankomst, toen bijna al hun goederen waren verkocht, kwamen veel vrouwen naar het strand, onder wie de dochter van de koning. Volgens de Perzische en de Griekse overlevering was haar naam Io, de dochter van Inachos. Toen zij bij het achtersteven van het schip stonden te onderhandelen over de goederen die ze het liefst wilden, spoorden de Phoeni-ciërs elkaar aan hen te grijpen. De meeste vrouwen ontsnapten, maar Io en enkele andere werden geroofd en in het schip gegooid, dat dan wegvoer naar Egypte.”


Zoals reeds bij Homeros het geval was, verschijnen de Phoeniciërs in dit verhaal opnieuw als ontvoerders, onbetrouwbare handelaars en gewetenloze schurken. Indirect spreekt uit de tekst van Herodotos natuurlijk de boodschap, dat eenieder die met de Phoeniciërs handel drijft, wel eens hetzelfde lot zou kunnen wachten. Dit beeld over de Phoeniciërs ankerde zich zo vast in het Griekse wereldbeeld, dat het cliché van de op winst beluste, gierige Phoenicische koopman zonder scrupules zelfs uitgroeide tot een traditionele figuur in de komedie. Uiterst treffend in zijn beknoptheid is het volgende fragment48:


EÙqÝj dFo‹nix g…gnomai· tÍ mn d…dwmi ceirˆ tÍ dlamb£nw.


Ik word dadelijk een echte Phoeniciër: met mijn ene hand geef ik, met mijn andere neem ik!”


Het is bekend dat de komediedichters Alexis en Menander elk een stuk schreven, getiteld “KARCHDONIOS”, “De Karthager”49. Beide komedies zijn helaas, op een aantal fragmenten na, verloren. Zij moeten echter wel als voorbeeld gediend hebben voor Plautus’ bewerking, Poenulus.

Het verwijt van gierigheid en zucht naar rijkdom, nauw verwant met het koopman-schap, werd, blijkens Polybios, min of meer als karakteristiek voor de Phoeniciërs en de Karthagers in het bijzonder gezien50:


Fil£rgurÒj ge m¾n doke‹ gegonšnai diaferÒntwj kaˆ f…lJ kecrÁsqai filargÚrJ M£gwni tù (t¦) kat¦ t¾n Brett…an ceir…zonti. taÚthn dt¾n ƒstor…an ™gë paršlabon mn kaˆ par' aÙtîn Karchdon…wn· (…) œti d Masann£sou .... ¢kribšsteron di»kousa, fšrontoj ¢pologismoÝj kaqÒlou mn perˆ p£ntwn Karchdon…wn, m£lista d perˆ tÁj 'Ann…bou kaˆ M£gwnoj toà Saun…tou prosagoreuomšnou filargur…aj.


Hij [= Hannibal] schijnt inderdaad uitzonderlijk belust op geld te zijn geweest, net als zijn vriend Mago die de leiding had in Brettia. Dit feit is me door de Kar-thagers zelf verteld. (…) Ik heb het bovendien meer in detail vernomen van Masannisa, toen hij een verantwoording gaf van de geldzucht van alle Karthagers in het algemeen, en in het bijzonder van Hannibal en Mago, bijgenaamd de Samniet.”


Het bedrog en de listen die de Phoeniciërs, zo wordt de lezer verteld, in het handels-verkeer toepasten, kwam hen ook in de oorlog van pas. Een steeds opduikende beschuldiging aan het adres van de Phoeniciërs, en meer bepaald de Karthagers, is het feit dat zij voor verdragen geen respect lijken te kunnen opbrengen. Wanneer Appianos de oorlog verhaalt tussen Rome en Karthago, spreekt het voor zich dat de Karthagers uiterst negatief worden afgeschilderd. Twee verwijten die in zijn werk over de vijand herhaaldelijk terugkeerden, hun wreedheid en trouweloosheid, komen in het volgende fragment ter sprake51:


(…)Karchdon…oij, o‰ par¦ mn t¦j eÙprax…aj ¢dikoàsi kaˆ ™nubr…zousin ™j ¤pantaj, ™n d ta‹j sumfora‹j parakaloàsin, ¨n d tÚcwsin, eÙqÝj ™pˆ ta‹j sunq»kaij metat…qentai. kaˆ oÜte spondîn ™stin aÙto‹j a„dëj oÜte lÒgoj Órkwn (...), o‰ kaˆ perˆ Sikel…an kaˆ 'Ibhr…an kaˆ 'Ital…an kaˆ ™n aÙtÍ tÍ LibÚV kaˆ prÕj ¹m©j kaˆ prÕj toÝj ¥llouj ¤pantaj a„eˆ sunet…qento kaˆ parèrkoun kaˆ dein¦ kaˆ scštlia œdrwn. (...)t…j spond», t…j Órkoj, Ön oÙk ™p£thsan; (...) f…louj oân kaˆ summ£couj poihsÒmeqa toÝj çmot£touj;


“(…) de Karthagers, die in hun dagen van voorspoed tegenover iedereen onrechtvaardig en hooghartig waren, maar nu, wanneer het lot hen in de steek heeft gelaten, als smekelingen komen, zullen dadelijk de overeenkomst breken, zodra ze maar de kans hebben. Eerbied voor verdragen of respect voor eden kennen zij niet. (…) zij die in Sicilië, Spanje, Italië, zelfs in Afrika, tegenover ons en alle anderen steeds weer een verdrag sloten en het dan telkens braken, zij die verschrikkelijk en wreed optraden. (…) Welk verdrag, welke eed hebben zij niet gebroken? (…) Zullen wij dan de wreedste mensen op aarde tot onze vrienden en bondgenoten maken?”


De wreedheid van de Karthagers wordt in de antieke bronnen eveneens verbonden met de religieuze gewoonte, mensenoffers te brengen. Dit cultusgebruik werd in de helleens-romeinse wereld beschouwd als abnormaal en barbaars, en versterkte alleen maar het beeld van de Karthagers als een ruw en bijna primitief volk52:


oƒ t¾n S£rdon katoikoàntej ¢pÕ Karchdon…wn Ôntej crîntai nÒmJ tinˆ barbarikù kaˆ polÝ tîn `Ellhnikîn dihllagmšnJ. tù g¦r KrÒnJ qÚousin ¹mšraij tisˆ tetagmšnaij, oÙ mÒnon tîn a„cmalètwn toÝj kall…stouj, ¢ll¦ kaˆ tîn presbutšrwn toÝj Øpr ˜bdom»konta œth gegenhmšnouj. toÚtoij dquomšnoij tÕ mn dakrÚein a„scrÕn enai doke‹ kaˆ deilÕn, tÕ d¢sp£zesqai kaˆ gel©n (…) ¢ndrîdšj te kaˆ kalÒn. Óqen fasˆ kaˆ tÕn ™pˆ kakù prospo…hton gšlwta klhqÁnai SardÒnion.


“De mensen die op Sardinië wonen en van Karthaagse afkomst zijn, kennen een bepaald barbaars gebruik, dat zich sterk van de Griekse onderscheidt. Op vastgelegde dagen offeren zij immers aan Kronos niet alleen de mooisten van hun gevangenen, maar ook oude mensen van meer dan zeventig jaar. Voor wie geofferd wordt, schijnt wenen schandelijk en laf te zijn, maar blij zijn en lachen als moedig en goed. Daarom wordt, naar men zegt, een geveinsde lach in moeilijke omstandigheden ‘sardonisch’ genoemd.”


Het is maar de vraag in hoeverre we hier te maken hebben met een bewuste negatieve propaganda die een zeer schrikwekkend beeld geeft van een leefwereld die de antieke auteurs misschien niet uit de eerste hand kenden.


Ook bij de Griekse historici van de hoge Keizertijd leeft een overwegend negatieve inschatting van de Phoeniciërs verder, al moet gezegd worden dat hier ongetwijfeld enige invloed van Romeinse zijde heeft meegespeeld, waar vooral de Karthagers nog steeds golden als erfvijanden. Zo spreekt Ploutarchos eeuwen na de val van Karthago over haar inwoners als volgt53:


“›teron Ãqoj toà Karchdon…wn d»mou, pikrÒn, skuqrwpÒn, Øp»koon to‹j ¥rcousi, barÝ to‹j ØphkÒoij, ¢gennšstaton ™n fÒboij, ¢griètaton ™n Ñrga‹j, ™p…monon to‹j gnwsqe‹si, prÕj paidi¦n kaˆ c£rin ¢n»dunton kaˆ sklhrÒn·


“Het karakter van het Karthaagse volk is anders: zij zijn wreed en somber, onderworpen jegens hun meesters maar hard tegenover hun dienaars, zeer laf in momenten van vrees en zeer heftig in hun woede, koppig eens ze een be-slissing hebben genomen en zonder smaak of verfijning in vermaak en genot.”




3. Besluit


Uit de geciteerde fragmenten blijkt duidelijk dat de berichtgeving over de Phoeniciërs in de Griekse, maar ook in andere literaturen verre van objectief is, of zelfs maar poogt te zijn. Steeds aarzelt zij tussen het ten hemel prijzen van de verwezenlijkingen en talenten van de Phoeniciërs, en het veroordelen en zwart maken van een concurrent in het gebied van de Middellandse Zee54. Natuurlijk worden vele getuigenissen vertekend door de oorlogen die tussen de Phoeniciërs en het Griekse en Romeinse volk woedden, en kunnen we in talrijke gevallen spreken van een bewust negatieve propaganda.

Dit besefte Polybios reeds, die de partijdigheid van de teksten die over de Phoenicische gemeenschap tijdens de Punische Oorlogen schreven onmiskenbaar betreurde. Men kan dan ook niet anders dan het ten volle eens zijn met zijn slotwoorden in de volgende passage55:


Oùc Âtton d tîn proeirhmšnwn parwxÚnqhn ™pistÁsai toÚtJ tù polšmJ kaˆ di¦ tÕ toÝj ™mpeirÒtata dokoàntaj gr£fein Øpr aÙtoà, Fil‹non kaˆ F£bion, m¾ deÒntwj ¹m‹n ¢phggelkšnai t¾n ¢l»qeian. ˜kÒntaj mn oân ™yeàsqai toÝj ¥ndraj oÙc Øpolamb£nw, stocazÒmenoj ™k toà b…ou kaˆ tÁj aƒršsewj aÙtîn· dokoàsi dš moi peponqšnai ti parapl»sion to‹j ™rîsi. Di¦ g¦r t¾n a†resin kaˆ t¾n Ólhn eÜnoian Fil…nJ mn p£nta dokoàsin oƒ KarchdÒnioi pepr©cqai fron…mwj, kalîj, ¢ndrwdîj, oƒ d `Rwma‹oi t¢nant…a, Fab…J d toÜmpalin toÚtwn. (…) Ótan d tÕ tÁj ƒstor…aj Ãqoj ¢nalamb£nV tij, ™pilaqšsqai cr¾ p£ntwn tîn toioÚtwn kaˆ poll£kij mn eÙloge‹n kaˆ kosme‹n to‹j meg…stoij ™pa…noij toÝj ™cqroÚj, Ótan aƒ pr£xeij ¢paitîsi toàto, poll£kij d’ ™lšgcein kaˆ yšgein ™poneid…stwj toÝj ¢nagkaiot£touj, Ótan aƒ tîn ™pithdeum£twn ¡mart…ai toàq’ ØpodeiknÚwsin. Ésper

g¦r zóou tîn Ôyewn ¢faireqeisîn ¢creioàtai tÕ Ólon, oÛtwj ™x ƒstor…aj ¢naireqe…shj tÁj ¢lhqe…aj tÕ kataleipÒmenon aÙtÁj ¢nwfelj g…netai di»ghma.


“Een niet minder belangrijk motief dan de voorafgaande dat mij ertoe aanzette bij deze oorlog te blijven stilstaan, was dat de personen die naar men dacht met de grootste autoriteit daarover konden schrijven, Philinos en Fabius, volgens mijn mening de waarheid niet hebben verteld. Ik beschuldig deze mensen er nu niet van, vrijwillig onjuist te zijn geweest, gelet op hun karakter en principes, maar ik vind dat ze als het ware als minnaars zijn opgetreden. Immers, gezien zijn overtuiging en constante partijdigheid vond Philinos dat de Karthagers in alles wijs, goed en moedig handelden, en de Romeinen omgekeerd, terwijl Fabius het tegenovergestelde daarvan dacht. (…) Wanneer iemand evenwel met het oog van een historicus de zaken wil benaderen, moet hij al deze zaken achterwege laten, dikwijls met de hoogste lof zijn vijanden prijzen en eren, wanneer hun daden dat vragen, en vaak zijn dichtste vrienden ronduit bekritiseren en laken, wanneer de fouten van hun handelingen dat aangeven. Zoals immers een levend wezen dat het zicht is kwijtgeraakt helemaal uitgeschakeld is, zo blijft van de geschiedenis die van waarheid is beroofd, niets over dan een nutteloos verhaal.”
























  1. Bibliografie


De Griekse teksten zijn afkomstig van de cd-rom van de TLG. De vertalingen zijn van eigen hand.


Aubet 2001: Aubet M.E., The Phoenicians and the West : politics, colonies and trade (transl. from the Spanish by Mary Turton), Cambridge, 2001.


Boardman 1999: Boardman J., The Greeks overseas. Their early colonies and trade, London, 1999.


Bonfante 1941: Bonfante G., The name of the Phoenicians, Classical Philology 36 (1941), 1-20.


Crielaard 1992-1993: Crielaard J.P., How the West was won: Euboeans vs. Phoenicians, in: Hamburger Beiträge zur Archäologie 19-20 (1992-1993), 235-260.


Gehrig 1990: Gehrig U., Die Phönizier in Griechenland, in: Gehrig U. & Niemeyer H.G., Die Phönizier im Zeitalter Homers (Ausstellungskatalog), Mainz, 1990, 23-31.


Latacz 1990: Latacz J., Die Phönizier bei Homer, in: Gehrig U. & Niemeyer H.G., Die Phönizier im Zeitalter Homers (Ausstellungskatalog), Mainz, 1990, 11-21. 


Mazza 1988: Mazza, F., Wie die alte Welt die Phönizier sah, in: Moscati, S. (ed.), Die Phönizier, Hamburg, 1988, 548-567. 


Muhly 1970: Muhly J.D., Homer and the Phoenicians, Berytus 19 (1970), 19-64.


Niemeyer 1984: Niemeyer H.G., Die Phönizier und die Mittelmeerwelt im Zeitalter Homers, JbRGZM 31 (1984), 3-94.


Pastor Borgoñon 1988-1990: Pastor Borgoñon H., Die Phönizier: eine begriffsgeschichtliche Untersuchung, in: Hamburger Beiträge zur Archäologie 15-17 (1988-1990), 37-142.


Reed 2003: Reed C.M., Maritime traders in the ancient Greek world, Cambridge, 2003.


Snodgrass 1994: Snodgrass A.M., The Nature and Standing of the Early Western Colonies, in: Tstskhladze G.R. & De Angelis F., The archaeology of Greek colonisation. Essays dedicated to Sir John Boardman, Oxford University Committee for Archaeology. Monograph 40, 1994, 1-10.


Wathelet 1974 : Wathelet P., Les Phéniciens dans la composition formulaire de l'épopée grecque, RBPH 52 (1974), 5-14.



1 Dat de Phoeniciërs een uitgebreide historiografische, religieuze en wetenschappelijke literatuur hadden is uit voldoende bronnen bekend. Bovendien genoot deze een voortreffelijke reputatie. Ik beperk me tot een verwijzing naar het beroemde boek van Mago over de landbouw, dat volgens Plinius (Naturalis Historia, 18, 5, 22) bijna integraal in het Latijn werd vertaald, en dit ondanks het feit dat Cato reeds zijn De agricultura geschreven had! De Phoenicische literatuur werd zelfs zo hoog aangeslagen dat de kronieken van de koningen van Tyrus naar het Grieks werden vertaald (althans volgens Flavius Josephus, Contra Apionem, 1, 18) en een verwijzing naar een Phoenicische bron ging dienen als een middel om zijn eigen werk meer geloofwaardigheid te verlenen (cf. Augustinus, Epistulae, 17, 2). Omdat de Phoeniciërs alles op vergankelijk materiaal schreven, i.c. leder- en papyrusrollen, is hun literatuur niet bewaard. Cf. Latacz, 1990, 11.

2 Mazza, 1988, 548.

3 Latacz, 1990, 12.

4 Aubet, 2001, 3.

5 Mazza, 1988, 550 spreekt in deze context over “Sinnbilder”.

6 Ook in de Hebreeuwse bronnen van die tijd is sprake van de “şidonim”, de Sidoniërs. Cf. Bonfante, 1941, 1.

7 Ilias, 6, 288-295.

8 Latacz, 1990, 14. Het is bekend dat Phoeniciërs ook in andere delen van de Helleense wereld tijdelijk verbleven of zich zelfs gingen vestigen als handwerkslieden. Cf. Gehrig, 1990, 27-28 en 30; Snodgrass, 1994, 2.

9 Cf. het belang van het beeld van Athena, het palladion, in het avontuur van Diomedes en Odysseus (de Dolonie), verteld in boek 10 van de Ilias.

10 Ilias, 23, 740-749.

11 Pastor Borgoñon, 1988-1990, 106, noot 353; Latacz, 1990, 14.

12 Zie daarvoor Pastor Borgoñon, 1988-1990, 106-107.

13 Zo bv. 1Kon. 5, 20 en 7, 40-45.

14 Odysseia, 4, 613-619.

15 Odysseia, 23, 181-204.

16 Niemeyer, 1984, 70; Latacz, 1990, 19. Afbeeldingen van het bed bij Niemeyer, 1984, 71.

17 Boardman, 1999, 38. Cf. ook id, 1999, 55.

18 Epinomis, 987d.

19 Muhly, 1970, 58; Snodgrass, 1994, 2-3.

20 Odysseia, 13, 272-286.

21 Cf. Aubet, 2001, 127-128.

22 Odysseia, 14, 288-297.

23 Odysseia, 15, 415-420. Ik citeer enkel de relevante passages uit het lange verhaal.

24 Wathelet, 1974, 11.

25 De Nederlandse term “knibbelaar” draagt in zich dezelfde dubbele betekenis van knabbelen en gierig zijn.

26 Odysseia, 15, 448-453.

27 Muhly, 1970, 21.

28 Boardman, 1999, 274.

29 Cf. Reed, 2003, 43-61.

30 Fragment 63, r.23.

31 Philoxenos, Fragmenta, 622, 3. Cf. Aubet, 2001, 6-7. Een aantal geleerden, onder wie Bonfante, keren de etymologische theorie om en stellen dat in het Grieks het woord fo‹nix precies werd afgeleid van Fo…nikej, dat dan weer van Illyrische oorsprong zou zijn. Een belangrijk argument is dat namen van kleuren en stoffen wel vaker afgeleid worden van de naam van een volk (bv. turkoois). Voor deze discussie, zie Bonfante, 1941, 3-5 en Muhly, 1970, 24-34.

32 Bv. Chariton, De Chaerea et Callirhoe, 6, 4, 2 ; Flavius Philostratus, Epistulae, 54, 6.

33 Geographica, 16, 2, 23. Cf. ook Plinius, Naturalis Historia, 9, 60, 3.

34 Mazza, 1988, 554.

35 Niemeyer, 1984, 21; Latacz, 1990, 12.

36 Antiquitates Judaicae, 8, 76.

37 Aristoteles, Politica, 2, 8, 1. Zie ook Polybios, Historiae, 4, 51, 1-5.

38 Hetzelfde oordeel vindt men terug in het Oude Testament (zie bv. Ezekh., 27, 3-9; cf. Mazza, 1988, 557) en de Latijnse literatuur (zie bv. Curtius Rufus, Historiae, 4, 4).

39 Ilias, 23, 744.

40 Historiae, 1, 1.

41 Polybios, Historiae, 1, 51, 4-6.

42 Polybios, Historiae, 1, 20, 12; gevolgd door id., 6, 52, 1.

43 Strabo, Geographica, 16, 2, 23-24.

44 Een verwijzing naar Ilias, 23, 743.

45 Bibliotheca Historica, 5, 20, 1; gevolgd door id., 5, 38, 3.

46 Blijkens de reeds geciteerde passages van Homeros waren de Phoeniciërs actief in het verhandelen van uiteenlopende goederen, zonder werkelijke specialisatie. Zie hiervoor Crielaard, 1992-1993, 247.

47 Historiae, 1, 1.

48 Fragmenta comicorum anonymorum, 334.

49 Mazza, 1988, 560.

50 Historiae, 9, 25, 1-4. Cf. ook Cicero, Republica, 3, 3.

51 Libyca, 272ff.. Uit de talloze voorbeelden in de Latijnse literatuur van woordbreuk door de Karthagers vermeld ik Cicero, De lege agraria, 2, 95 en Livius, Ab Urbe Condita, 22, 6, 11-12. De trouweloosheid van de Puniërs was bij de Romeinen zo legendarisch, dat in hun taal de ironische term fides Punica ingang vond. Over de wreedheid van de Karthagers, cf. eveneens Livius, Ab Urbe Condita, 21, 4, 7-9 en 23, 5, 12-13.

52 Odysseia, 20, 302. Zie voor een levendige beschrijving van het ritueel ook Plato, Republica, 337A; Diodoros, Bibliotheca, 20, 14, 4-6 en Ploutarchos, De Superstitione, 13..

53 Praecepta gerendae reipublicae, 3, 6 = 799D1 (Steph.).

54 Cf. Mazza, 1988, 567.

55 Historiae, 14, 1-6.